Jan 292013
 

Blue MoonHet geschreeuw van mijn zesjarig zoontje die voor mij uit huppelt, maakt de mensen die nog niet op zijn wakker. Ik kan niet zien hoe de mensen wakker worden, maar ik kan er mij iets bijvoorstellen. Veel mensen zullen mijn zoontje verwensen, dat hij op zijn kin valt, aan wordt gereden of in een sloot verzuipt. Zijn idioot geschreeuw is dan ook verre van wat voor normaal geschreeuw doorgaat. Mijn zoontje is geschift. Niet dat zijn moeder of wie dat dan ook weten, maar ik ben er allang uit, mijn kleine Eppo is zwaar geschift. Onverstaanbaar gebral komt er uit zijn scheve bek, hij kijkt scheel in het niets met zijn blauwe oogjes en hij stinkt altijd naar de stront, hoe goed ik zijn kont ook afveeg. Eerdaags zullen wij wel door zijn school gebeld worden, dat hij niet te handhaven is, maar tot die tijd breng en haal ik mijn geliefd knulletje van school, het is al een troost dat ik dit niet lang meer hoef te doen. Hij zal waarschijnlijk belanden op een speciale school, waar hij vijf dagen per week verblijft, dan kan hij alleen mijn weekend nog verzieken, dat neem ik voor lief. Voor zijn school geef ik hem een kus op zijn voorhoofd, en zeg,”je best doen scheet”, knipoog naar zijn juf, en wens haar in gedachte het beste. Ze grijpt Eppo bij zijn zwaaiende arm, en trekt hem het schoolgebouw in. Ik vraag mij af of Eppo zijn juf van kromme plassers houdt, haal mijn schouders op, en loop mijn weg terug naar huis.

Het is prachtig weer voor de tijd van het jaar, want normaal regent het pijpenstelen in de maand Augustus. Dan hoor ik getik, aan de overkant van de straat loopt een buurman achter zijn goudkleurige rolator. Het getik, het ritme der Reumatiek klinkt mij als prachtige klassieke muziek in de oren, na het daapse geschreeuw van Eppo. De oude wat mollige buurman met zijn door de war zittende haar, zijn strakke jeans, zwarte bordeel sluipers en kleurige Hawai blouse met daaroverheen een spijkerjeans jasje is een aparte verschijning in ons Dorpje, “Lek als de Ijssel”. Ik zie hem nooit met iemand praten, hij woont in een oude boerderij drie huizen verderop. Het is denk ik een Amerikaan, want als hij mij groet ontwaar ik een Amerikaans accent. Opeens wordt ik nieuwsgierig naar deze buurman, en heb helemaal geen zin om naar huis te gaan, waar mijn vrouw met de koffie en het ontbijt op mij zit te wachten. Ze wacht maar tot ze een ons weegt, zo kan wachten een prima vervanger van allerlei diëten zijn.

Ik haal de oude baas in, zorg dat hij mij ziet, voor ik hem groet, ik wil niet dat hij van schrik een hartstilstand krijgt, al vraag ik mij af of iemand ermee zou zitten, of dat men er ooit achter zou komen door mijn nonchalante groet. “Goedemorgen buurman, hoe maakt u het” zeg ik vrolijk en gemaakt. Normaal zeg ik alleen goedemorgen, maar ik wil een gesprek aanknopen, alles van hem weten, misschien heeft hij wel een kromme penis, je weet maar nooit in deze tijd van crisis. De oude baas houd stil, en neemt mij rustig in zich op. “Goodmorning, het gaat perfect maar helaas niet als een trein”. Overdreven moet ik lachen om de opmerking. Even verderop hoor ik een andere buurman schreeuwen dat ik al net zo getikt ben als mijn lijpe klote zoontje. Ik doe natuurlijk alsof ik het niet hoor, die lul pak ik nog wel een keer met zijn vrouw ernaast, zo doen wij dat en niet anders. De man lacht mij inmiddels toe, wat een goed teken is, en het begin van een goed gesprek zou nu op gang kunnen komen. “Het is wat met die Mauro, vind u ook niet buurman”, open ik het gesprek”. Professioneel ontwijk ik de blik van mijn buurman, die niet lijkt te weten wie onze Mauro is, en zet mijn verhaal voort. “De arme jongen wordt behandeld als een beest, wat minder als een beest”. “Ik heb zonder problemen mijn hondje geadopteerd uit een dodenstation te Malaga”, niemand die ermee zit”. Mijn buurman kijkt mij onbegrijpend aan, en herhaald zachtjes met een Amerikaans accent,”Mauro”. Ik heb geen zin om uit te leggen wie Mauro is, dan moet hij maar een televisie kopen, kan hij net als ik wakker liggen van schaamte over het zielloos beleid van de Nederlandse politiek, en vraag hem of hij Amerikaan is. “yes sir, Ik kom van Memphis”., zegt hij vrolijk. Wie kwam daar ook alweer vandaan, ik weet het niet meer. “Wilt u iets bij mij drinken”, vraagt de man dan vriendelijk. “Waarom niet” antwoord ik vriendelijk maar toch onbeschoft, want ik vind, waarom niet ,een aller beroerdste uitdrukking. Zo van, er is echt helemaal niks wat er niet leuker is, maar ik maak toch maar tijd voor u.
Even later zit ik in een grote stoel van rotan in de donkere woonkamer van de buurman zijn boerderij. De buurman is een bak koffie aan het zetten, terwijl ik mij in de grote rotan stoel net Morticia A. Addams voel, de moeder uit de Klassieke Addams family serie voel. Morticia voelde zich zenuwachtig, want dat ben ik ook wel een beetje van alle opwinding op de koffie bij mijn mysterieuze Amerikaanse buurman. Dan komt hij binnen met twee grote mokken dampende pleur.
De buurman neemt plaats op de bank tegenover mij, terwijl wat valse lucht via zijn darmkanaal de Wereld wordt ingeblazen, er is toch genoeg plaats, al geld dit dus niet voor Mauro, klootzakken. “Sorry dude”, zegt de buurman. “Geeft niks buurman, ik kan er zelf ook wat van”, stel ik hem onnodig gerust. Dan schiet de buurman in de lach. “Je lijkt Neé Frumps wel in die rotan stoel”, zegt hij bulderend. “Wie is dat vraag ik”, zo vriendelijk mogelijk met de nodige moeite. “Morticia uit the Addams family”, ik vertel maar niet dat ik me haar ook voel. Er valt een stilte, wat zal ik hem eens gaan vragen, of hij hem nog omhoog krijgt, hij mij hier heen lokte voor ranzige spelletjes, of dat hij graag koffie drinkt met knappe kerels zonder bij bedoelingen. Maar mijn buurman is mij voor, en stelt een vraag,”hou je van Music”. “Absoluut niet, als er iets is wat ze van mij niet hadden hoeven uitvinden, dan is het wel muziek, Tuurlijk buurman hou ik van muziek”, van kut tot heel slecht, van geniaal tot buitenaards,ik ben er gek op”. Mijn buurman kan met mijn uitvoerige antwoord niet uit de weg, en besluit er maar uit op te maken dat ik van muziek hou, en zet een muziekje op. “All shook up”, klinkt het weldra door de enorm overdreven grote boxen, de buurman is klaarblijkelijk nooit over zijn pubertijd heen gekomen stel ik vast, en dat krijg je dan echt nooit meer los. “nu schiet het mij te binnen, als de kogel die schrijver William S. Burroughs zijn vrouw haar hoofd injoeg, het is Elvis Presley die uit Memphis kwam.
“Hou je van Elvis”, vraagt de buurman dan. “Zeker weten buurman, ik ben stapel op Elvis”. Dan gebeurt wat ik niet had zien aankomen, hij doe zijn armen wijd open en zegt,”kom dan maar hier, geef mij maar een hug”. “Sorry buurman, ik ben niet van de achteringang”. Ik altijd, met mijn ad rem antwoorden, nu heb ik de oude baas misschien beledigd, terwijl hij alleen een beetje genegenheid zoekt. Ik kijk naar mijn buurman, die nog steeds et zijn armen open zit. “Je Houdt van Elvis zei je toch, nou geef mij een knuffel”, zegt hij dan, de situatie er niet makkelijker opmakend. “Ik zou niet weten waarom ik u moet knuffelen, als ik van Elvis hou buurman, sorry dat ik zo simpel ben, maar ik bergrijp er geen reet van”. Dan gaat mijn buurman met krakende knieën op zijn dunne beentje staan, en zegt “Iám the King”, en jij bent de enige die dat mag weten”. Nu zie ik het, de dikke onderling en de lap wangen, het is Elvis die hier voor mij staat. Ik spring op en vlieg mijn buurman in de armen, wat een prachtige dag. De knuffel lijkt uren te duren, ik in de armen waar voor mij zoveel vrouwen hebben gelegen, of zouden dat praatjes zijn. Het zal mij mijn witte billetjes roesten, ik sta hier gewoon met Elvis te knuffelen.
Met moeite maak ik mij los, het had tot mijn sterfbed mogen duren, maar dat is zo hebberig. “Maakt u nog muziek, vraag ik dan”. “Nee vriend, als ik muziek maak word het zoals je weet een hit, en dan weet iedereen dat het een pop is die daar onder de groene zoden op Graceland ligt”. “Ik heb met niemand meer contact, nooit meer gewild, maar toen ik jou zag, brak mijn oude hart, en had ik de drang het te vertellen. Ik neem een slok van de inmiddels oude koffie. Ik zou hier een slaatje uit kunnen slaan, stinkend rijk worden, weg van mijn vrouw, nog verder weg van Eppo, maar iets zit mij tegen, ik heb namelijk een goed hart, veel beter dan dat van Holleeder. Ik wil dit bijzondere moment dus niet te grabbel gooien aan ordinair geld, laat ik daar nu eens een uitzondering op zijn. De oude baas zal toch niet echt lang onder ons meer zijn, dan kan ik het na zijn dood naar buiten brengen, word ik toch nog rijk, even geduld hebben, dan is mijn leven tot die tijd hier op het dorp ook wat minder saai, iedere dag op de koffie bij de King, wie kan dat zeggen, misschien zeggen, maar ik kan het ook nog doen. Dan word ik misselijk, alles word wazig. “Ik heb je vergiftigd buurman, er zat troep in je koffie, sorry man, maar ik kon niet anders, je zou op zeker je mond voorbij praten”, hoor ik Elvis zeggen, alsof hij heel ver weg is. Waarom moest die lamlul het zo nodig aan mij vertellen, nu ben ik stervende. Ik kruip naar de King toe, heel langzaam, met alle kracht die ik nog heb ga ik op mijn benen staan, en zeg, “knuffel mij”. Elvis sluit zijn armen om mijn trillende lichaam heen.

Ik kots over hem heen, maar we houden elkaar stevig vast. De knuffel duurt niet lang, langzaam sterf ik in de armen van mijn grote held, die al jaren vlak naast mij woonde…..

 January 29, 2013  Posted by at 13:58 Pieters Proza  Add comments

 Leave a Reply

(required)

(required)