Jan 202013
 

Pieter ZandvlietMet een flink portie gezonde tegenzin ging ik op de bagage drager van mijn voor oorlogse bakkersfiets zitten. Na een tijdje floot ik op mijn vingers, en kwam mijn chauffeur Rinus Pienus aan gerend.”Sorry baas ik was de tijd vergeten”. “Dat geeft niet Rinus, zolang de tijd jouw niet vergeet is er niks aan het jatje”. “En nu op naar mijn huisarts”. En weldra reden wij door de de dorpsstraat terwijl ik nog wat brieven doornam, om precies te zijn twee brieven waar ik al mijn leven lang niet doorkom, een pijn in de kont, dat zijn ze die brieven. Wat later zette Rinus mij af voor de deur van mijn huisarts. In de wachtkamer danste ik wat met andere patiënten in afwachting van de dokter. Een wat mollige dame met onder haar meerdere kinnen een replica van het Andesgebergte, brak haar enkel. De andere patiënten en ik schrokken ons een ernstig ongeluk met meerdere doden. Maar de dappere dame zei kreunend van de pijn dat wij ons geen zorgen hoefde te maken, ze vertelde dat ze blij was dat ze de dokter nu eens kon bezoeken zonder kut smoesje waar hij toch nooit intrapte.

Gelukkig liep ik het dokterskabinet binnen, eerst groette ik een oude schedel die vrolijk vanuit een boekenkast naar mij grijnsde, alvorens ik de oude dokter een slaphandje gaf. “En wat zijn de klachten”, opende de dokter zoals hij dat eigenlijk altijd doet, die opener moest ik maar eens onthouden als ik een mooie vrouw zou aanspreken. “Ik ben overspannen dokter. De dokter keek over het zware montuur van zijn bril heen naar mij, nooit begrepen waarom hij een bril opheeft en er nooit door heen kijkt, duidelijk geen oogarts. “U kunt gaan meneer Zandvliet” “Hoezo u kunt gaan, dokter” “Als u al weet dat u overspannen bent, wie ben ik dan dit tegen te spreken”. “Daar had mijn dokter een punt”.Ik gaf de dokter een hand, en nam afscheid, pakte de schedel van de boekenplank en hield hem tegen mijn kruis en zei”zuigen kreng”. Ik keek om of de dokter moest lachen om mijn grapje”. Toen ik zag dat hij niet lachte, maar het stuk verdriet mij met een handgebaar maakte het vertrek te verlaten, zette ik de schedel terug op zijn plaats. Mensen kunnen nergens meer om lachen tegenwoordig. De eerst volgende keer als ik mijn dokter bezoek, zal ik zeggen dat ik een zeer besmettelijke dodelijke ziekte onder de leden heb, dat zal het kreng leren.

Rinus stond de bakkersfiets wat te poetsen in een voorjaarszonnetje, die er dit jaar snel bij was, het was namelijk hoog zomer. “Rinus op naar Sint Pieter”. “Maar baas dat is tweehonderd kilometer fietsen”. “Als lopen korter is, doen we dat wel Rinus, en nu vort”. Rinus stapte wat geïrriteerd op de fiets, en weldra reden wij naar mijn vakantiehuis in Sint Pieter, een eilandje voor Texel. Ik besloot tijdens de rit, dat als we zouden aankomen dat ik Rinus de laan uit zou sturen, het stuk stront had mij al twee maanden niet betaald, het ging een beetje uit de hand lopen. Het was al bijzonder dat ik mijn werknemer niet betaalde, het moest niet gekker gaan worden. Ik begon mij te vervelen achterop de fiets, en begon de plattereet van mijn driftig fietsende chauffeur te masseren en hoorde als gevolg van mijn onnavolgbare handelingen Rinus weldra tevreden fluiten. Mijn vader zei altijd, maak je nuttig, en dat deed ik dus door het masseren van Rinus zijn billen. Ondanks mijn overspannenheid was ik nu erg tevreden, gelukkig wil ik het niet noemen, ik weet ook niet waarop ik het zo niet wil noemen, maar iets diep in mijn donder zegt,”Pieter brave borst die gij der zijd, noem het alles behalve gelukkig” en mijn geweten die van Belgische komaf is, heeft altijd gelijk. Aan de kade van en Oever ontsloeg ik Rinus zoals beloofd, hij was natuurlijk verontwaardigd na twee dagen trouwe dienst, maar mijn besluit stond alvast voor ik hem aannam. Hij stond op de rand van massale zelfmoord, wat hij na twintig rot jaren dan ook deed op zijn sterfwaterbed, pal voor hij zijn laatste stinkende adem de Wereld over blies, de mislukkeling, hij had dat beter voor onze eerste ontmoeting kunnen doen, dat vleselijk gedrocht en zijn kromme penis.

Ik besloot het water in te springen en de twintig meter naar Sint Pieter lekker te zwemmen. Pas veel later kwam ik drijfnat aan, met mijn kurk droge humor was mijn out-fit in een mum van tijd weer droog en vervolgde ik mijn weg naar mijn vakantiehuisje, die ik “Overbodig” heb gedoopt, wel in een dolle bui overigens, want in gewone doen had ik het “Mijn lever is verschrikkelijk” benoemd. Ik liep langs het eerste veld van voetbalclubSint Pieter, je vraagt je af hoe die lui op zo’n naam komen, of kwamen want de club is in 1908 opgericht. De club is de enige voetbalclub die nog nooit een wedstrijd gewonnen heeft, buiten dat ze tevens nooit een wedstrijd hebben gespeeld omdat je niet op het gras mag lopen van veldknecht Dick Middenlip, heerst er ook nog een ziekte op SintPieter die klaarblijkelijk Doelvrees is genaamd. Genoeg over de voetbalclub, want korfbal vereniging de Dikke doos zou stukken interessanter zijn, om er in dit stukje over uit te wijden. Al snel liep ik langs de Sint Pieter, de enige kerk op het gelovige eiland. Het is op twee kerkjes na de kleinste kerk van Nederland en omstreken. Alleen dominee Pete Sandcreek tevens directeur van Uitgeverij Ontploft, Fastfood restaurants Freaky wraps en hongerlijdend dichter is de enige die in de kerk past. Op Maandag wanneer hij zijn preek doet met een megafoon in bruikleen van de politie, zit iedereen op de knieën buiten de kerk, weer of geen weer. Als Pete aan het einde van de dienst schreeuwt beffen, dan likken de mensen voorover gebogen aan de grond, dit doen ze om Moeder Aarde tevreden te houden. Waar men in geloofd zou ik verder niet weten, het zou zomaar God kunnen zijn en even zo best heel iemand anders. Over God gesproken, die schijnt heel kwaad te zijn, men zegt vaak als God bestond had hij toch niet van die rampen veroorzaakt, buiten dat hij de rampen niet zelf veroorzaakt, dat soort dingen besteed hij allemaal uit aan derde, kan hij sinds het scheppen van de aarde, de gebeden van de mensen niet horen, en zeker niet als ze om half zes voor het avondmaal allemaal door elkaar lullen. Nu was daar voor dat de Duitser Alexander Graham Bell de telefoon uitvond geen andere oplossing voor, maar zo zegt God, en zoals wij allemaal wel weten, is wat hij zegt het beschrijven waard, dat als er klachten zijn, dat ze hem maar moeten bellen, en liefst niet allemaal tegelijk. Toen onze Lieve heer nog een Jongeheer was hield hij al niet van door elkaar praten, laat staan nu hij al erg oud is.

Eindelijk kwam ik aan bij mijn huisje. Het zag er even vredig uit, als toen ik het de week ervoor verlaten had, een voordeur, twee ramen, een dak en vier stenen muren, heel bijzonder. Binnen ging ik op de sofa liggen, die pal naast een verdwaalde tuin kaboutertje staat. Ik zie hem als mijn psychiater maar dan goedkoper. Hij helpt mij er altijd weer bovenop, de grijs bebaarde snoodaard, zit ik daar giechelend op zijn rode puntmust, ik ben dan net kabouter Plop. Als ik daarmee klaar ben, ga ik lekker de keuken in, en kook in een handomdraai een vier gangen opwarm menu voor een x aantal personen die ik niet heb uitgenodigd, waardoor ze dus gelukkig ook nooit komen, en ik lekker alles zelf mijn vreet snelweg in prop, heerlijk, jammer van de smaak.

Ik verblijf in de regel ongeveer vier dagen op Sint Pieter, en ben van plan ooit te gaan wonen, misschien komen wij elkaar er ooit tegen, het eten staat klaar….

 January 20, 2013  Posted by at 23:25 Pieters Proza  Add comments

 Leave a Reply

(required)

(required)