Title: De dode spits (Detective de Zwarte hond) | Artist: Pieter Zandvliet | Category: Pieters Proza

Een man in een lange zwarte regenjas, met zijn in zwartleren handschoen verpakte hand rustend op zijn eveneens zwarte hoed, tegen het wegwaaien hiervan. Deze moeite had hij zich kunnen besparen door de hoed in één van zijn linnen fietstassen te doen. De fiets waarop de man moeizaam door de polder tussen Zaadgraad en Domdam rijdt, is een klassieke zwarte herenfiets uit negentienhonderdzevenendertig van het helaas ter ziele gegane merk Union, de trots van het Overijsselse dorpje Nieuwleusen.
De man is detective, wat,op de televisie afgaand, in deze tijd een ander woord voor rechercheur is, want dat is deze man, net als zijn beroepsgenoten op televisie, eigenlijk. Mopperend stopt de man om zijn neus in een zwarte zakdoek te snuiten, net op het moment dat een zilvergrijze Audi 80 door een plas vers regenwater rijdt, die de snuiter vol over hem heen krijgt. Ondankbaar scheldt de man een aantal ziektes de wereld in.
Natuurlijk goed om te ontladen, maar de bestuurder van de Audi 80 zal ze vast niet horen.
Zeiknat vervolgt de man zijn weg over het prachtige bochtvolle dijkje langs de IJssel.
Zomers is dat goed te doen, maar middenin de winter is het hel op aarde.
Zo ervaart onze hoofdrol speler, die men vanwege zijn zwarte kleding de “Zwarte Hond” noemt, het.
En ik voor het gemak dan ook maar.

De Zwarte Hond, met een getinte huidskleur door zijn Indische roots, is in de dertig en wat mager.
De Zwarte Hond is op weg naar een dode voetballer, die zich liggend in de douches van Hoofdklasser Domdam bevindt.
Eindelijk aangekomen komt een agent op de Zwarte Hond afgelopen. Hij reikt de Zwarte Hond zijn hand en zegt,”slecht weer he?”. De Zwarte Hond komt duidelijk niet om het weer te bespreken en gromt, de toegestoken hand ontwijkend, dat hij het lijk wil zien.
De agent loopt voor de Zwarte Hond uit naar de kleedkamers.
Onder de nog steeds áán staande douches ligt het naakte lichaam van een jonge blonde man. De Zwarte Hond draait de douches uit en snauwt de agent toe, dat de eventuele sporen nu in ieder geval gewist zijn. De Zwarte Hond knielt neer voor de op zijn rug liggende voetballer, grijpt naar diens hals, merkt op dat hij zijn nek heeft gebroken en dat aan de striemen te zien dit niet is gebeurd door een valpartij.
“Zonde van zo’n jonge kerel, hij was een geweldige spits”, jammert de agent hoofdschuddend.
De Zwarte Hond pakt het geslacht van de voetballer beet, kijkt de agent aan en zegt: ”Ja, en hij had ook zo’n mooie dikke lul”. Wil je alstublieft weggaan meneer agent, je irriteert mij”.
Rood aangelopen loopt de agent naar buiten.

De Zwarte Hond kijkt op zijn horloge. Op dit moment komt zijn collega, of beter gezegd húlpje Leo Zonderhart binnengelopen. De Zwarte Hond gaat staan. Leo verontschuldigt zich. Hij had eerst nog een boodschap moeten doen.
“Leo, bespaar mij je kutsmoesjes maar, ik wil helemaal niet weten waardoor jij te laat bent. Je hele léven interesseert mij geen reet. Het enige wat ik wil, is dat jij op tijd bent, al maakt het niet zoveel uit, deze man heeft niks meer aan mond-op-mond beademing”.
Even later vertrekt het duo naar buiten. “Moet ik u naar het bureau brengen?”, vraagt Leo aan de Zwarte Hond.
“Dat zou ik erg op prijs stellen Leo. Past mijn vehicle in je auto?”
Even later rijden ze in een oude legerjeep in de richting van het bureau te Zaadgraat
Op het bureau neemt de Zwarte Hond een warme kop koffie en gaat aan zijn bureau zitten, met zijn voeten op het bureau.
Alvorens hij begint na te denken over de moord op de spits, breekt de leuning van zijn bureaustoel en valt hij op de grond. De hete koffie maakt de val er niet leuker op. De Zwarte Hond zit onder de koffie en loopt tierend de douches in, waar hij met kleding en al onder de koude douche gaat staan.
Nadat Leo uitgelachen is om zijn baas met wat politie-agenten, reikt hij zijn baas een badjas en handdoek aan. Na twintig minuten neemt de Zwarte Hond in alleen een witte badjas plaats achter zijn bureau. Hij denkt na over de spits, maar buiten dat hij misselijk wordt van het beeld van het naakte mannenlichaam onder de douche, komt hij niet veel verder. Hij zal onderzoek moeten doen. Het zó oplossen had leuk geweest, maar daar heb je meer voor nodig dan een witte badjas.
Wat later komt Leo, die wat telefoontjes heeft gepleegd, met informatie over de spits.
Zijn naam is Leendert Billenman. Drieëntwintig jaar. Geboren en nog steeds woonachtig te Klithorst. Hij heeft een vriendin, Katja Rodox, een Engelse dame. Ze waren verloofd en zouden de aankomende zomer gaan trouwen.
De Zwarte Hond dacht na over de informatie, en wilde langs gaan bij Katja Rodox, die al door had gekregen dat haar vriend overleden was.

Wat later zaten in de auto De Zwarte Hond en Leo, richting Klithorst, een naar vis stinkend vissersplaatsje.
Shithorst had volgens Leo een betere naam geweest.
De Zwarte Hond lacht nooit, dus om deze grap van Leo ook niet.
Leo kent zijn collega al jaren, maar maakt toch steeds grapjes, en baalt steeds weer als de Zwarte Hond niet lacht, maar hem dood negeert.
Katja woont in een oud vissershuisje .Ze doet open en voldoet in alles aan een vrouw die sterft van verdriet; ze huilt, bibbert en rookt sigaret na sigaret.
Na de gebruikelijke beleefdheidsvormen, vraagt de Zwarte Hond of hij wat vragen mag stellen.
Ze nemen plaats op een rode bank.
“U weet dat meneer Billenman is vermoord mevrouw Rodox?”.
“Ja”, zegt Katja, om vervolgens weer in huilen uit te barsten.
Leo stelt het hoopje ellende gerust, terwijl de Zwarte Hond verveeld in het rond kijkt.
Er hangen wat teamfoto’s van de spits, wat actiefoto’s en heel vervelende foto’s van Katja en Leendert op vakantie. Het valt de Zwarte Hond op, dat Leendert op elke foto dezelfde nietszeggende glimlach heeft. Hij is blij dat híj vermoord is, en niet de nu huilende Katja, want erg snugger ziet de spits er niet bepaald uit.
Inmiddels is Katja gestopt met huilen en kan de Zwarte Hond doorgaan met zijn vragen.
“Mevrouw Rodox, had uw aanstaande vijanden?”.
Katja denkt na en zegt dan dat ze het niet zou weten. Leendert kon met iedereen goed opschieten.
Dat dacht de Zwarte Hond al; een vrolijk, meningloos rund, die Leendert.
“Had u wel eens ruzie met Leendert, mevrouw Rodox?”.
“Soms. In de slaapkamer” antwoordt Katja.
“Gênant”, denkt de Zwarte Hond.
“Een wat persoonlijke vraag misschien, maar waarover had u ruzie met Leendert, mevrouw Rodox?”.
“Leendert wilde mij soms van achterlangs nemen, maar ik weigerde dat, waardoor hij boos werd”.
“Dank u mevrouw Rodox, we laten u verder met rust en houden u op de hoogte over het onderzoek naar de moord op uw aanstaande. Sterkte”.
In de auto, op de terugweg naar het politiebureau, heerst een stilte, die onderbroken wordt door gelach van Leo.
Hij zet zijn auto aan de kant van de weg.
“Sorry baas, maar wat een bizarre situatie. Vindt u niet?”.
De Zwarte Hond begrijpt dat zijn stomme collega doelt op het achterlangs-verhaal van mevrouw Rodox en antwoordt geïrriteerd:”Leo, ìk vind het inderdaad vreemd, maar voor jou moet dit toch normaal zijn? Je bent getrouwd met een kerel!”.
Leo had het liefst de lucht uit de strot van zijn baas geknepen, maar hij zweeg en reed verder.

Bij het politiebureau aangekomen pakt de Zwarte Hond zijn fiets en rijdt naar huis.
Thuis warmt hij een kant-en-klaar menu in zijn magnetron op. Dat stinkt het minst. Van geurtjes moet onze speurneus niks hebben.
Om wat te ontspannen zet de Zwarte Hond een plaat van The Nits op. ”Omsk”, is de titel van de plaat.
Een Nederlands meesterwerk van een bescheiden band, volgens de Zwarte Hond.
Hij eet zijn opwarmprakkie op met plastic bestek, dan hoeft hij niet af te wassen.
Hij is geen drol wijzer geworden van het onderzoek. De informatie van Katja Rodox bracht zijn gedachte niet op een bepaald spoor.
De volgende dag wilde hij naar een training van Domdam om wat vragen te stellen aan medespelers en de trainer.

Na de training ontvangen Leo en de Zwarte Hond wat spelers en de trainer.
De eerste is Sacha Rots, de trainer. Een wat mollige zestiger in een rood trainingspak, die uit zijn gloriejaren moet zijn, want hij is hem inmiddels te klein.
“Meneer Rots, hoe was uw band met Leendert Billenman?”, vraagt de Zwarte Hond.
“Prima. Hij was als een zoon voor mij`.
“Had Leendert een vader nodig of u een zoon?” vraagt de Zwarte Hond dan.
Meneer Rots wil direct antwoorden, maar merkt dan dat de vraag hem verwardt.
“U kunt gaan, meneer Rots, laat de volgende maar komen”
De volgende is Jan Stomper, een rechtsback. Magere, afgetrainde kerel.
“Wat voor iemand was Leendert?”
“Een prima kerel, meneer agent. Je kon altijd met hem lachen. Het is verschrikkelijk dat hij zo aan zijn eind is gekomen”.
“U weet hoe hij aan zijn einde is gekomen, meneer Stomper?”.
“Nee, natuurlijk niet, meneer agent, maar ik hoorde dat hij is vermoord”.
“U kunt gaan, Meneer Stomper, stuur de volgende maar”.
De volgende is de langharige keeper Merijn Kaas.
“Keepers zijn homofielen, vernam ik van mijn collega hier”, opent de Zwarte Hond zijn ondervraging soepel.
Merijn springt op en vliegt de verbaasde Leo naar de keel.
Er breekt een gevecht los, dat Leo al snel wint.
Als Merijn is uitgeraasd, neemt hij met blauw oog weer plaats tegenover de Zwarte Hond.
“U stelt zich verdacht op, Meneer Kaas. Ik verwachtte een ántwoord. Geen geweld.
Bent u altijd zo gewelddadig? Kon u misschien niet tegen de grapjes van Leendert Billenman?”
Merijn kijkt de Zwarte Hond aan en weet niet wat hij moet zeggen. Verward mag hij het gesprek verlaten.
De Zwarte Hond neemt een slok van zijn chocomelk en laat Leo Sander van Ham, de linksback van Domdam, roepen.
Even later verlaat ook Sander verward het gesprek.
En alle andere spelers na hem ook.
Leo vraagt waarom de Zwarte Hond deze vreemde vragen aan de spelers stelt.
“Ik wil ze met deze vraagstelling verwarren. Ze zullen elkaar haast gaan verdenken op deze manier, en als de dader er niet bij zit hebben ze pech.
Ik heb een aversie tegen voetbal, en kan op deze manier eens zien of ik invloed kan hebben op de aankomende wedstrijd”.
En dat had hij. Die zondag verliest Domdam historisch tegen Deijenmoord met 11 tegen 0.

De maandag erna gaan Leo en de Zwarte Hond weer op bezoek bij de training van Domdam.
Er zijn opvallend weinig spelers op de training.
Een maand lang bezoeken Leo en de Zwarte Hond de trainingen van Domdam zonder vragen te stellen.
Inmiddels staat de club in de degradatie-zone, en verlaten spelers de club.
De trainer wordt ontslagen.
Dan zegt de Zwarte Hond, dat de moordenaar naar alle waarschijnlijkheid niet bij de voetbalclub zit.

“Laten we nog maar eens langs gaan bij mevrouw Rodox”.
Als Leo de auto uitstapt voor het vissershuisje waar Katja woont, gebaart hij de Zwarte Hond te bukken, en doet dit zelf ook.
Ze sluipen naar het raam aan de voorkamer.
Katja´s hoofd gaat op en neer. Ze heeft een stuk vlees in haar mond dat vast zit aan Sacha Rots, de ex trainer van Domdam.
Leo vraagt fluisterend of ze later terug moeten komen.
Maar de Zwarte Hond gaat voor het raam staan en tikt op het raam.
Verschrikt kijken Sacha en Katja op.
Katja opent de voordeur.
“Zo, u bent al een beetje over het overlijden van uw aanstaande heen en heeft in de vorm van die vette oude kerel een nieuwe aanstaande gevonden?”.
“Nee meneer Zwarte Hond, Sacha kwam mij troosten”
“Het leek er toch meer op dat u meneer Rots aan het troosten was”.
Katja zwijgt.
“We nemen u en meneer Geilneef maar eens gezellig mee naar het bureau om gezellig wat te kletsen, en Leo, wil je niet zo dicht achter mij staan, en meneer Sacha Geilneef er even op attenderen dat hij mee moet naar het bureau”.
“Gadverdamme”,hoort hij zijn collega Leo dan zeggen.
Hij snelt naar de kamer. Sacha zit met het zaad op zijn rode trainingsbroek nog steeds op de bank.
“Sorry, meneer Zwarte hond, ik was zo opgewonden. Het moest er uit”.
“Ja, lekker belangrijk, meneer Rots.
Kon u niet even wachten tot na het gesprek met u op het bureau?
Was uw handen, dan gaan we weg”.
Sacha loopt naar de keuken.
Snel opent hij de keukendeur en rent weg.
Leo gaat direct achter hem aan.
Maar buiten heeft Sacha het zoontje van de buren opgepakt en zegt tegen Leo, die vlak voor hem staat: ”Als je dichterbij komt breek ik het jochie zijn nek”.
“Net als je bij Leendert hebt gedaan zeker?”, vraagt de Zwarte Hond, die naast Leo is komen staan.
“Hij begon zelf. Hij kwam erachter dat ik het met Katja deed. Toen hij mij in de douche wou aanvallen, gleed de sukkel uit en was bewusteloos. Ik heb toen voor de zekerheid zijn nek gebroken”.
Dan geeft het jochie achterwaarts een trap in het kruiswerk van Sacha, en rukt zich los.
Leo slaat Sacha meteen in de boeien en de Zwarte Hond doet het zelfde bij Katja.
“Het was een makkie”, stelt de Zwarte Hond vast bij zijn collega op het bureau.

Op naar de volgende zaak.