Title: Jacht seizoen (voor iedereen met een hekel aan jagers) | Artist: Pieter Zandvliet | Category: Pieters Proza Het meesterlijke pianospel van Walter Gieseking die het werk van Claude Debussy ten uitvoer brengt, klinkt uit een oude boerderijwoning. In de keuken van de boerderij zit Engbert Zultlip, met zijn broodmagere lichaam,  zorgvuldigheid een prachtige vlinder in een heel klein houten lijstje te bevestigen. Het is zaterdag, de dag dat Armke en Daatje ,de vrouw en dochter van Engbert, boodschappen doen. Dan heeft Engbert tijd voor de dode vlinders, zijn grote hobby. Overal door het huis hangen zijn exemplaren in de kleine lijstjes te pronken aan de wanden. Van beroep is Engbert aardrijkskundeleraar op een middelbare school. Hij haat zijn werk en alles wat daar maar enigszins bij komt kijken, maar hij weet dat er brood op de plank moet komen in huize Zultlip. Als de bruin-oranje vlinder achter het glas in het lijstje zit, hangt Engbert hem boven het bed, aan de zijde van zijn vrouw Armke, ter verrassing. Hij verheugt zich er nu al op haar gezicht te zien als ze vanavond de verrassing ontdekt. Ze zal, zoals iedere zaterdag- avond, uitgelaten haar handen op de gezonde Hollandse roodgekleurde wangen plaatsen en een gilletje van vreugde slaken. Vervolgens zal ze Engbert omhelzen, wat, indien zij niet ongesteld is, op een vertrouwelijke vrijpartij zal uitdraaien. Prachtig als het van beide kanten gemeend zou zijn, maar van Armke was het na de tweede vlinder al een toneelstukje. Het orgasme was altijd al gespeeld ten tijde van de echtelijke daad, het oudhollandse ringsteken. Engbert beweegt wat met zijn heupen en komt dan al snel klaar. Hij is in de veronderstelling dat zijn vrouw er tevreden mee is, en is al blij dat hij dit, het bedrijven van de liefde, alleen op zaterdag hoeft te doen. Vermoeiend gedoe allemaal.
Dan zet Engbert de cd van Watler Gieseking op pauze. Tegen beter weten in, want als hij straks terugkomt van zijn dagelijkse boswandeling, zal Gieseking plaats hebben moeten maken voor een cd van zijn zeventienjarige dochter Daatje. Die staat dan heftig mee te schreeuwen op Shakira, Lady Gaga of Anouk. Het pubermeisje is er gek op. Het is de leeftijd. Verder is het een braaf meisje dat nooit echt ergens komt buiten school. In een wat te grote groene regenjas gaat Engbert vrolijk fluitend het bos in. Voor de zekerheid heeft hij een netje aan een stokje bij zich, al weet hij dat het nog wat te vroeg is om vlinders te vangen. Hij probeert Claude Debussy’s pianospel te evenaren, wat hem tot een totaal belachelijke idioot maakt, maar dat heeft verder niemand door in het bos ter hoogte van Lutten. Na een tijdje hoort Engbert takken breken. Hij weet dat het vast geen zwarte panter is en sluipt op het geluid af, de spanningen van opwinding gieren door zijn lichaam. Terwijl hij sluipt ziet hij op de grond een stukje van een weggegooid Mars- papiertje liggen. Als hij het op wil rapen om in zijn zak te doen, stoot hij tegen de gespierde kont van grote bruine rode ree aan. Het beest schrikt net als Engbert. Het prachtige beest wil wegrennen, als er meerdere malen wordt geschoten. Het beest zakt door zijn poten, en kijkt Engbert hulpeloos aan. Dan hoort Engbert gelach en kijkt recht voor zich uit: Daar staan wat jagers. Een hele dikke, met een sigaar in zijn mond, zegt: ”Dat is schrikken he, maak dat je wegkomt anders schieten wij jou ook dood”. Engbert rent, zijn netje vallend op de drassige ondergrond, met tranen in de ogen weg, terwijl de jagers hem uitlachen. Ze zien hem wel vaker wandelen, en hebben er vaak over gedacht hem een keer voor de leut neer te schieten. Als ze hem in het vizier van hun geweer hebben, doen ze wel eens of zij de nietsvermoede Engbert door het voorhoofd schieten.
Het lachen en de grote bruine ogen van de ree spoken door het hoofd van Engbert. Hij is woest, en dat is hij eigenlijk nooit. Hij zint op wraak tegen de jagers. Maar, thuisgekomen, beseft hij dat hij geen kans maakt tegen die gasten. Hoe kan hij ze aanpakken, die vuile laffe ratten? Dan krijgt hij een idee: Zijn neef Knelis uit Rotterdam zou hem kunnen helpen met wat van diens vrienden. Meteen pakt Engbert de telefoon, en belt, na jaren, Knelis op.De telefoon wordt echter niet opgenomen. De hele week probeert Engbert zijn neef te bellen. Hij gaat tot verbazing van zijn vrouw niet naar zijn werk, en gaat ook niet wandelen in het bos. Armke weet niet wat er gebeurd is met de jagers in het bos, Engbert vond het niet nodig zijn vrouw bij zijn sores te betrekken.

Title: Jacht seizoen (voor iedereen met een hekel aan jagers) | Artist: Pieter Zandvliet | Category: Pieters Proza Hij besluit zijn neef te gaan opzoeken, en neemt die zaterdag de trein naar Rotterdam. Hij mag zijn neef Knelis allesbehalve. Het is een a-sociale bruut, onbehouwen en grof gebekt, maar hij weet dat Knelis wel van hem houdt, al weet hij niet echt waarom.
In de trein zit Engbert tegenover een stel. De man lijkt veel ouder dan de jonge vrouw.
Engbert kijkt naar buiten, naar het afwisselende landschap, steeds weer een ander weiland, met steeds weer andere slootjes, hij kan er in verzuipen. Niet in de slootjes, nou ja dat kan ook natuurlijk, maar hij kan verzuipen in het làndschap. De jonge vrouw vertelt de man tegenover Engbert, dat ze droevig werd van de neurotische beesten in de diergaarde die ze bezocht hadden. De man glimlacht naar Engbert met op zijn gezicht de blik van “laat dat domme wicht maar een eind lullen, ik heb geen relatie met haar aangeknoopt om haar wijsheden”. Dit haalt Engbert uit de blik van de man, maar even later noemt de jonge dame de man “papa”.
Title: Jacht seizoen (voor iedereen met een hekel aan jagers) | Artist: Pieter Zandvliet | Category: Pieters Proza Op Rotterdam Centraal is het zoals altijd erg druk. Iets waar Engbert helemaal niet van houdt, maar ja waar houdt hij wel van…
Hij wordt draaiërig van de vele gezichten die schichtig aan hem voorbij flitsen.
Vanaf het treinstation loopt Engbert naar de Leopoltstraat in het Centrum van Rotterdam, waar zijn neef hopelijk nog woont. De snelle housebeats die, de straat inlopend, op Engbert af komen zijn alvast een teken dat Knelis er waarschijnlijk nog woont. En ja hoor, het naambordje Knelis Zultlip hangt er nog. Engbert drukt op de bel. Eigenlijk drukt hij op een zilveren knopje dat de bel doet rinkelen, maar dat doet niet ter zake. De deur wordt open gedaan door een jongen in een zwart trainingspak met een blow, hangend op zijn onderlip. De jongen neemt Engbert in zich op en probeert hem te herkennen. Als dit niet lukt draait hij zijn hoofd naar achteren en schreeuwt: ”He Knelis, ik denk dat je vriendje hier voor mijn muil staat”. Dan komt Knelis de gang ingelopen. Op zijn gezicht verschijnt een grote grijns als hij Engbert ziet staan, die ook probeert te glimlachen, maar dit lijkt meer alsof hij al drie dagen niet kan poepen. “Neefie van me, ouwe rukeend, wat doe jij hier?”, schreeuwt de kale Knelis. Hij loopt  in zijn boksershort met het logo van Feyenoord erop. Vóór Engbert kan antwoorden tilt Knelis hem op, tegen zijn getatoeëerde lichaam. Na de knuffel zegt Knelis dat Engbert verder moet komen. In de huiskamer zitten nog twee kerels, de donkere is Ary, de hele bleke magere is Alardus en de jongen die de deur open deed is Ieman. Er staat naast de bank een papegaaienkooi met daarop een grote grijze papegaai die doorlopend schreeuwt:”Hé scheet, ik neuk je in je reet”. Engbert gaat,na zich voorgesteld te hebben, tussen Ary en Alardus in zitten. Het zit wat krap. Er worden slechte grappen over en weer gemaakt, en herinneringen opgehaald, vooral door Knelis, uit hun jeugd. Herinneringen die Engbert niet dierbaar zijn, hij had alle herinneringen verbannen, en had niet gedacht zijn neef ooit nog te zien. Na een tijdje wil Engbert even een leuke grap plaatsen: “Zo, dat was een mooie wedstrijd he, vorige week tegen PSV”, doelend op de 10-0 nederlaag van Feyenoord. Er wordt niet gelachen. Wel springt Knelis over de salontafel en haalt vol uit op het gezicht van de even hiervoor nog lachende Engbert.
Ary en Ieman willen ook op de arme Engbert inhakken, maar de van zichzelf geschrokken Knelis duwt ze weg. Hij zegt: ”Klootzak, je weet toch dat het zwart voor mijn ogen wordt als je iets kuts over mijn kankerkluppie zegt?”  Knelis kijkt naar de lachende Ary, die voor Sparta is en zegt: ”Hé, stomme lul, ga mijn neeffie naar de EHBO brengen, ik denk dat hij zijn neus heeft gebroken”.
Even later zitten Ary en Engbert in de donkerblauwe Amerikaanse slee van Knelis. Het bloed blijft lopen uit de neus van de arme Engbert. Op de radio vertelt men dat er een negenentwintigjarige vrouw wordt vermist. Ary zegt, door het bericht heen:”Zie je nou wel, je moet je hoertje aan de lijn houden. Ja toch? Allemaal kutjes”. “Gaat het met je neus vriend?”, vraagt Ary bezorgd aan Engbert, die van de pijn een antwoord op de vraag naar de bekende weg overslaat.
De dokter in het ziekenhuis heeft dezelfde analyse als Knelis; een gebroken neus.
Een paar uur later zit Engbert weer, tussen Alardus en Ary in, op de bank bij Knelis. Er is nog een jongen bij komen zitten met lang sluik ongewassen haar.  Hugo heet hij, Hugo Zonders. Eindelijk komt Engbert toe aan zijn vraag: Of zijn neef de jagers in het bos bij de van Tottenhamstraat een lesje wil leren. Knelis kijkt Engbert serieus en een beetje streng aan, en zegt, in zijn kruis grijpend: ”Je kan mijn kloten opblazen, het tuitje hangt erbij”. De mannen liggen in een deuk, behalve Engbert, die verdwaasd naar het kruis van zijn dikke neef kijkt en hem nu nog meer dood wenst dan vroeger. Dan zegt Knelis: ”Tuurlijk ga ik mijn fijn portie familie helpen. Ja toch? We gaan die jagers matten”. Engbert is voor het eerst die week weer blij.
Die nacht slaapt hij laat in, op de bank, mede doordat de bezoekers laat weggaan.
De volgende ochtend heeft Knelis een uitsmijter klaargemaakt. Die is wat aangebrand, maar daar zegt Engbert niks over. De andere vier jongens komen opvallend vroeg binnen. “Wat zijn jullie vroeg uit de veren”,zegt Engbert, waarop Ieman naar zijn neus wijst en zegt: ”Ja Eng, de witte motor he”.
Title: Jacht seizoen (voor iedereen met een hekel aan jagers) | Artist: Pieter Zandvliet | Category: Pieters Proza Niet veel later zit Engbert op de achterbank van de Amerikaanse slee krap tussen Ary, Ieman en Hugo, Knelis rijd en Alardus zit naast hem. Er hangt een walm van skunk in de auto. Scheldend op andere weggebruikers rijdt Knelis zijn Rotterdam uit in de richting van Overijssel. Er worden pilletjes geslikt en poedertjes gesnoven om Engbert heen, die het allemaal best vindt. De gabberbeats knallen de auto door. Je kunt niet zeggen dat de mannen niet hun best doen zich een beetje op te peppen voor een spannend avontuur.
Langs de rijksweg staat een witte Opel Manta, helemaal opgepimpt tot een soort sportwagen. ”Effies lief zijn”zegt Knelis, en parkeert zijn slee achter de Opel Manta.
Knelis stapt uit, terwijl de anderen in de slee blijven zitten. Het is wat koud buiten.
Een man met zijn vriendin staan wat moeilijk te doen onder de motorkap van de Manta.
“Kan ik helpen?”, vraagt Knelis. De man schrikt en stoot zijn vlotte hoofd tegen de motorkap van zijn wagen. Knelis schiet in de lach, waarop de man kwaad zegt dat Knelis moet lachen als zijn vader begraven wordt! Rinus, de vader van Knelis, is twee weken daarvoor begraven en net als nu kon Knelis toen niet lachen: Zijn vader was zijn alles. Knelis pakt de kerel bij zijn leren jack, tilt hem van de grond en werpt hem in de grasberm, terwijl zijn kortgerokte vriendin staat te gillen. De kerel gaat staan en wil iets uit zijn binnenzak halen. Dan springen Hugo, Ary, Ieman en Alardus op de man en blijven op hem intrappen tot hij geen krimp meer geeft. “Dat is vriendschap”, zegt Knelis tegen de vriendin van het slachtoffer. Hij pakt het mobieltje waarmee de vrouw 112 wilde bellen en gooit het op de rijksweg. Dan zegt hij: ”Trek het je niet aan moppie, die kakker verdient niet beter”. De vrouw kijkt naar de man die daar in de berm ligt. Eigenlijk is dit wel een mooi afscheid van haar pooier zo. Ze draait zich naar Knelis om en geeft hem een kusje op zijn voorhoofd.
De rit gaat verder. Nu rijdt Ary en is Knelis met Linda, zoals de vrouw heet, op de achterbank gaan zitten naast Hugo, Ieman en Engbert.
Na een tijdje meent Engbert een smakkend geluid te horen. Zijn oren zijn vlijmscherp door al zijn boswandelingen. Het lijkt alsof er iemand kauwgom aan het kauwen is en daar heeft Engbert best trek in. Hij kijkt naar de gezichten om hem heen om te zien of er iemand kauwgom eet, maar niemand die er kauwt. Als Engbert naast zich kijkt, ziet hij de hand van Knelis, die Linda aan het bevredigen is. Engbert kijkt hem aan, waarop Knelis vriendelijk naar hem knipoogt.
“Zo, je woont hier mooi neefie, je bent een succesverhaal”, zegt Knelis als de slee geparkeerd wordt voor de boerderij.
Armke, met haar dochter Daatje, staat met open mond van verbazing als ze het gezelschap uit de slee ziet stappen, met haar man en zijn in het verband verpakte neus er tussenin.
Engbert wil voorop het huis inlopen, maar Knelis neemt de leiding en zwaait de boerderijdeur open, waar Armke achterstaat. Ze valt voorover op de grond. “Oh lieve meid”, zegt Knelis, en helpt haar op. Er blijven drie van haar voortanden op de grond liggen.”We zullen maar niet gaan zoenen he”, zegt Knelis, naar de bebloede mond van Armke wijzend. Snel legt Engbert het één en ander aan Armke uit, die, ondanks de klap van de deur op haar gebit, het wel leuk vindt, een beetje levendigheid in huis. Hugo is al snel Daatje een beetje aan het plagen. Als iedereen aan de door Armke gemaakte erwtensoep met slagersworst zit, zijn Hugo en Daatje verdwenen naar de kamer van het meisje, en de rest laat zich wel raden. Ik schrijf verder niet graag over seks, alleen als het echt moet.
Er wordt heel veel gedronken, gerookt en drugs gebruikt, behalve door Engbert. Armke doet vrolijk mee, voor het eerst van haar leven.
Engbert valt tussen het vrolijke gezelschap in slaap. Knelis en Linda naaien zich bijna de hele nacht een slag in de rondte in het bed van Engbert en Armke. Armke wordt door Hugo, Ieman en Alardus gevuld als een varken voor een feestmaal. Het is een drukke boel op de boerderij.
Als Engbert de volgende dag wakker wordt liggen er overal naakte mannen om hem heen. Armke staat in de keuken de ontbijttafel klaar te maken. Engbert geeft haar een kusje op haar wang. Armke lacht lief naar hem en denkt: “Sterf maar, slappe klootzak”.
Title: Jacht seizoen (voor iedereen met een hekel aan jagers) | Artist: Pieter Zandvliet | Category: Pieters Proza Na het ontbijt vertrekken de mannen naar het bos. De mannen en Linda, die ook graag mee wil. Ze houdt van dieren. “Die moet je met rust laten, zegt ze terwijl ze haar bontjas sluit.
Hugo heeft een grote gettoblaster op zijn schouder staan: Van een verrassingsaanval is geen sprake.
De jagers zitten in twee auto’s. In de ene auto vijf jagers en in de auto die ernaast staat ook vijf jagers. Ze zitten allemaal te roken en communiceren via een walkie-talkie met elkaar. Een raampje openen om met elkaar te praten zou de kou maar binnenhalen. Zwier, de leider van de jagers, een jager die over de hele streek bekend is vanwege zijn jachtkunst, kijkt door een verrekijker.
Hij heeft een grote kop, rood van de hoge bloeddruk en de jenever waarvan hij om de tien minuten een flinke slok neemt. De andere jagers drinken bier, veel bier. In de auto naast die van de wat oudere jagers waar Zwier in zit, zitten de wat jongere jagers. Ze hebben er zin in, en zingen mee op piratenhits. Dan krijgt Zwier de groep Rotterdammers in zijn verrekijker te zien.
“Wie zijn die klootzakken? ”, vraagt hij mompelend vanonder zijn snor vandaan.
Hij vraagt aan Tiemen, de oude grijsaard die naast hem zit, of hij op de gettoblaster wil schieten.
De man stapt uit, en probeert via het vizier op zijn geweer de groep te vinden. Dat lukt na een tijdje.
Hij richt op de gettoblaster en schiet, maar mist de gettoblaster. Wel schiet hij de knieschijf van Linda naar de vaantjes. Ze schreeuwt het hele bos bij elkaar van de pijn. Er ontstaat paniek. Het is duidelijk, de jagers hebben een signaal afgegeven. Knelis maant de groep zich terug te trekken. “Wat krijgen we nou, vuile stadse nichten”, zegt Engbert verontwaardigd.
“Rustig neeffie, we gaan ons even bewapenen bij de auto, en komen dan terug.
Bij de slee weet Engbert niet wat hij ziet. De mannen bewapenen zich met honkbalknuppels, allerlei soorten messen en pistolen. Armke brengt Linda naar het ziekenhuis en de mannen gaan het bos in. Nu zonder gettoblaster. Ze zijn doodstil. In het bos besluit Knelis dat ze zich moeten opdelen in groepjes van twee, Engbert en zijn neef vormen een duo.
Ze komen samen al snel bij de twee wagens van de jagers.
Er zit maar één jager in, de jonge Christoffer. Hij moet op de wagens passen.
Als hij Engbert en Knelis ziet aankomen stapt hij dapper uit. Hij richt zijn geweer op Knelis en zegt dat ze moeten ophoepelen.
“Ophoepelen”, herhaalt Knelis spottend. Hij maakt een beweging naar rechts alsof hij iets hoort. Ook Christoffer kijkt, wat hij beter niet had kunnen doen, want Knelis trapt het geweer uit zijn handen. Doodsbang vraagt Christoffer of ze hem niks willen doen;  hij is pas getrouwd, vertelt hij bibberend. Knelis omhelst hem, en klopt hem op zijn rug.”Natuurlijk doen wij jou niks vriend”.
“Kom, we gaan Engbert”. Als Engbert wil vragen waarom ze niks doen gilt Knelis: ”Wegwezen, rennen!” Achter zich vliegt de auto waar Christoffer opgelucht weer instapte de lucht in en een seconde later de tweede auto. Knelis lacht hartelijk om het tafereel. Engbert vraagt geschrokken wat hij gedaan heeft. “Toen ik op zijn rug klopte deed ik een granaat in zijn capuchon”, zegt Knelis dan. Engbert is van slag. Hij loopt als een dood vogeltje het bos weer in met zijn neef.
Ary en Ieman hebben de kooien met fazanten van de jagers in het bos gevonden en laten de beesten vrij. Als ze staan te genieten van hun daad, komen twee jagers op hun af. Ze gooien hun geweer neer en zeggen dat ze hun mores komen leren. De twee jagers Sijbrand en Lefert zijn ferme knapen, en voor niemand bang. Ook Ary en Ieman zijn voor niemand bang. Een gevecht breekt los.
Als Sijbrand en Lefert aan de winnende hand zijn pakt Ieman een dolk en duwt die in de longen van Sijbrand. Zijn stem verandert van een lage zware stem in een piepstemmetje door het lucht die uit zijn longen naar buiten komt. Het is voor Ary en Ieman niet moeilijk ook Lefert in elkaar te slaan.
Hierna rennen ze juichend het bos verder in.
In heel het bos wordt er over en weer geschoten. Het lijkt wel oorlog.
Hugo komt in paniek op Engbert en Knelis afgerend. Hij zegt dat Alardus door zijn kop is geschoten. Zijn lichtblauwe trainingspak zit onder het bloed van zijn maat.
De drie mannen verschuilen zich achter wat struikgewas om bij te komen.
Zwier staat bij het levenloze lichaam van Hugo. Hij heeft hem neergeschoten.
“Ze gaan er allemaal aan”, tiert Zwier, en vraagt aan Bartholt en Engelbertus of ze het lijk willen begraven.
Met de oude Tiemen en Esken loopt hij door, op zoek naar het andere tuig.

Title: Jacht seizoen (voor iedereen met een hekel aan jagers) | Artist: Pieter Zandvliet | Category: Pieters Proza Garret zit een peukje te roken op een grote zwerfkei, met zijn walkietalkie gereed voor als hij iets verdachts ziet. Opeens lijkt iets te steken in zijn rug. Als hij voelt op de plek waar de stekende pijn is, voelt hij dat er een vlindermes in zit. Verschrikt draait hij zich om, en kijkt recht in het grijnzende smoelwerk van Ary. “Dag vriendje, mag ik mijn mes terug?”, vraagt Ary spottend.
Garret wil zijn geweer pakken, maar Ieman is op het toneel verschenen, trapt het geweer in twee stukken en duwt Garret op de grond, wat het mes in zijn rug verder drukt, en hem doodt.
Ary pakt de walkietalkie, en roept;”Hé, boeren cocksuckers, we komen eraan”.
Verschrikt zich afvragend wat cocksuckers zijn luistert Zwier naar Ary.
Hij weet dat Garret nu ook is overmeesterd. Hij begint te zweten en gaat schuilen, met Tiemen en Esken, in het struikgewas.
“We wachten ze op”, zegt Zwier dan, aan zijn jenever lebberend.
De jonge Derck loopt langs de weilanden. Hij heeft het gehad in het bos, ze kunnen de pleuris krijgen allemaal.
Misschien vinden ze hem een lafaard en een deserteur, het zal hem de witte reet roesten. Hij gaat naar de stad, hem zien ze hier nooit meer.
Derck zou drie jaar later dood gevonden worden, in een gezellige hoofdstedelijke steeg, overleden aan een overdosis, met een glimlach op zijn gelaat.
Terug naar het roerige leven van drie jaar daarvoor.
Door een verrekijker ziet Knelis Zwier, Tiemen en Esken zitten.
“Aha daar zitten ze”, zegt hij tegen Engbert en Alardus.
De drie beginnen te schieten op hun vijanden, die dit terug doen. Over en weer dus.
Engelbertus en Bartholt gaan, als ze klaar zijn met het begraven van Hugo, op het geluid van de schoten af.
Zoals ook Ary en Ieman dit doen.
Engelbertus en Bartholt naderen langzaam de driftig schietende Knelis, Engbert en Alardus.
Ary en Ieman doen het zelfde bij Zwier, Esken en Tiemen.
Bijna gelijktijdig beginnen ze hun opponenten te beschieten. Engbert wordt door zijn hoofd geschoten evenals Alardus. Knelis schiet Engelbertus en Bartholt het leven uit.
Als hij door zijn verrekijker kijkt, ziet hij dat Zwier hem staat te begluren door diens verrekijker.
Knelis en Zwier zijn de enige overlevenden van deze uit de hand gelopen situatie.
Zwier roept naar Knelis, dat hij vindt dat het zo wel welletjes is, en of Knelis dat ook niet vindt?
Knelis hoort brandweerwagens die naar de brandende auto’s onderweg zijn.
Als hij nu weg gaat en die lul in dat groene pakkie aan de overkant ook, zal hij zijn neef en vrienden niet vergelden. Hij denkt diep na en roept dan dat hij het ook welletjes vindt.
Knelis en Zwier lopen beiden een andere kant uit. De leiders geven het op.
Zwier is blij dat het is afgelopen, de man heeft in zijn broek gezeken van de angst.
Als hij de weg  het bos uit oploopt wordt hij geschept door een brandweerwagen, en is zijn leventje geweest.
Knelis vertelt op de boerderij  wat er gebeurd is. Daatje is er kapot van. Haar Hugo dood. Haar vader, daar zit ze, net als Armke, haar moeder, niet mee. De dag erop gaan alle vlinders de vuilnisbak in. Eindelijk. Tot de dag van vandaag gaat Armke met Knelis en hebben ze samen een zoontje, Engbert genaamd.

Van Linda hebben ze nooit meer iets gehoord.

Ik wel natuurlijk. Linda is een bordeel begonnen, en is één van de beste hoerenmadammen van Madagaskar….