Feb 162013
 

Title: Dood en verderf vanwege een kuttenlikker | Artist: Pieter Zandvliet | Category: Pieters Proza Het zal je maar gebeuren…..
“Ik hou van jou schat”. “Ik ook van jou”, gaf Koos met moeite op niet erg originele wijze antwoord aan zijn vrouw, die dit zei uit volle liefde. Koos z’n antwoord was gemeend, maar nù had de robuuste Schiedamse havenwerker zin om zijn plasser weldra in de voor hem bekende schede van zijn geblondeerde vrouwtje te planten.En zo geschiedde. Een korte en zeker geen heftige vrijpartij volgde, Koos was nu eenmaal niet zo romantisch aan gelegd.
Neuken was hetzelfde als plassen voor hem, zo nu en dan moest de zak leeg.
Snurkend viel Koos in slaap, terwijl een verdieping lager in de huiskamer hun witte hondje,model “kuttenlikker’, doorlopend blafte. Ze waren er aan gewend. Maar in het huis naast hem zat de kleine kale buurman met de poes op zijn magere schoot zich voor zijn bij het puzzelen gewonnen televisie te verbijten aan het geblaf van de kuttenlikker.En dit al twee jaar bijna iedere avond.Twee maanden voor deze avond had hij, vanaf zijn balkon, een fles naar de kuttenlikker gegooid.Lukraak net langs het blaffende kopje van de kuttenlikker.
Hij had dit niet mogen doen, maar zijn waarschuwingen werden keer op keer door zijn buren genegeerd.Die bewuste dag is het uitgelopen op een felle ruzie, waar de politie bij moest komen.Koos had hem bijna gewurgd met zijn enorme knuisten.
Het had alles alleen maar erger gemaakt. Vrijwel dagelijks als Koos, veelal met een flinke slok op, uit zijn werk naar huis gaat, belt hij bij hem aan, om vervolgens voor een dichte deur te roepen:”Kom dan flikkertje, dan sla ik je dood en steek die rotkat je reet in”.
En dat terwijl de arme buurman niet eens een flikker is, en zou dat wel zo wezen, dan is het al helemaal overbodig dit te melden.
Maar buurmannetje was machteloos en doodsbenauwd voor Koos.Iedere dag wenste hij Koos in gedachte alles wat je je ergste vijand niet zou wensen.Hij was al meerdere malen naar de politie geweest die er, zoals altijd, niks aan kon doen.

Een eindje verderop in de Hoofdstraat woont een kunstenaar, die zich nu even het verhaal inschrijft.
Die kunstenaar had geen weet van dit al, en wist hij het wel dan had hij er net als de politie geen reet aan gedaan
.Op een novemberavond zat hij verveeld naar een niet bij naam te noemen collega-kunstenaar te luisteren, die hem zogenaamd van alles aanbood. Normaal noemen we dit “in de maling nemen”, maar bij kunstenaars heet dit “hoop kweken”.Net toen de kunstenaar bijna ging uithalen op zijn collega, hoorde hij de loeiende sirene van een politiewagen.“SENSATIE, heerlijk!” dacht de collega-kunstenaar, en liep vervolgens zo snel als zijn beentjes hem konden dragen naar buiten, zijn collega met open mond achterlatend.
Maar net als al de buren die ook aan de dodelijke verveling waren ontsnapt hield een agent hem staande.
“Wat is er gebeurd?” vroeg de kunstenaar, bijna met een erectie van opwinding,aan de agent.“Er ligt een lijk in het poortje”, zei de agent nors.Iemand anders vroeg: “Hoe kan dat nou?”. Ja we kunnen niet allemaal Einstein wezen.
De agent zuchtte nu en zei met enige moeite dat het lijk, alvorens hij lijk werd, werd neergestoken, wel twintig maal over zijn hele lichaam.Misselijk droop de kunstenaar weer af.

De volgende dag liep de kunstenaar met zijn twee hondjes in de Plantage, toen hij zich verlaagde tot de vraag aan een andere uitlater: ”Erg he’, weet u precies wat er gisteren gebeurd is in het poortje?”.De andere uitlater zei dat hij dat precies wist. De kunstenaar keek hem vol verwachting, met pretogen achter zijn brilletje, aan.
De man zei dat hij de dag ervoor zijn hond uitliet, toen de boven beschreven kuttenlikker naar hem toe kwam lopen.
“Waar is jouw baasje?” vroeg hij aan het hondje die hem vast geen antwoord gaf.
Het beestje blafte niet, en bleek dus van streek.
Toen hij het poortje in keek, zag hij het bebloede lichaam van Koos liggen.Vermoord, want zoiets doet zelfs de beste zelfmoordenaar niet.
U mag de dader zelf invullen…..

Dit verhaal is gebaseerd op een ware gebeurtenis.

 February 16, 2013  Posted by at 13:28 Pieters Proza No Responses »
Feb 152013
 

Title: Het Mysterie rond de Rotterdamse Nel Capone | Artist: Pieter Zandvliet | Category: Pieters Proza Gisteren besloot ik weer eens lekker naar de Centrale Bibliotheek in Rotterdam te gaan, om me een slag in het rond te gaan lezen.Daar aangekomen met mijn trommeltje met lekkere bammetjes en mijn bekertje melk, wist ik niet waar te beginnen.Dus besloot ik op de geschiedenis van Rotterdam af te gaan, en het eerste boek dat ik zou pakken, ging ik eens lekker doorploegen.Het werd een boek met allemaal korte anekdotes over Delfshaven toevallig de wijk waar ik tot stand ben gekomen.Het boek had de titel,”anekdotes na Piet Hein”, geschreven door Leo Hartsemans.Ik ging het natuurlijk niet helemaal uit lezen, ik zapte zo gezegd van leuke anekdote naar leuke of minder leuke anekdote.

Na een tijdje kwam ik op de pagina, “het mysterie van Nel Capone”, dit had Leo vast verkeerd geschreven dacht ik met een grijns op mijn porum.Maar het was dus echt zo, het ging niet over Al die teringlijder uit Chicago, maar over zijn twee jaar oudere zus Nel.Dit was nog eens interessant dacht ik, de vage zwart/wit foto onder aan de vergeelde pagina had inderdaad enige gelijkenis met haar broertje, die teringlijder uit Chicago.Wat bleek de vader van deze twee Capone’s, Gabriele Capone was twee jaar voor hij naar Amerika vertrok een blauwe maandag werkzaam geweest als stoker op de grote vaart.En bij een tussenstop in onze Rotterdamse trots, jawel de haven, had hij zijn Italiaanse zakkie geleegd, zonder mede weten van Al’s mama Teresina Capone, in de Delfshavense prostitué Betsy.Dit had hij zeer goed gedaan, met alle charme die een Italiaan rijk is, want Betsy vond hem niet zomaar een klant, maar een goeie klant, zo bleef Capone maar liefst drie dagen aan de Havenstraat 145c, met het verhaal dat hij Betsy nooit meer zou verlaten.Maar toen zijn lul licht begon te geven van rouwigheid, door het vele neuken, besloot hij de benen te nemen richting de boot die hem terug zou brengen naar zijn huwelijk op Sicilië met Teresina.Betsy had nog wel zijn knip geleegd en zijn paspoort gestolen.En zo kreeg hun dochtertje de naam Nel Capone.

Op 15 Februari 1897 werd Nelletje geboren.Donker haar en blauwe ogen, van allebei haar geile verwekkers iets.Nel groeide op voor galg en rad, ze stal vanaf haar derde levensjaar geld uit de knip van de klanten van haar moeder.Zo ook eens het geld van de toen nog jonge kunstenaar Kees van Dongen, net voor hij de bene nam naar Parijs.Toen Nel wat ouder werd, hield ze veel geld achter, wat ze opspaarde, ze had een bloedhekel aan haar moeder Betsy, en walgde nog meer van de mannen die haar bezochten.Op haar zestiende verliet ze het ouderlijk huis, om een huisje te huren in de Langedijkstraat, van het geld dat ze had gespaard kon dit makkelijk, haar moeder sprak ze tot die stierf aan geslachtsziekte nooit meer.Wel erfde ze haar geld, en betrok ze diens huis aan de Havenstraat.Ze werd er gek van de mannen die aanbelde, omdat ze dachten dat Betsy nog leefde, zels een bordje met daarop,”als je het met Betsy wil doen, pleeg dan zelfmoord, hielp niet”.En vaak werden ze vervelend en gingen de mooie Nel betasten, de veldwachter moest er keer op keer tussenkomen, om een geilzak weg te knuppelen dan wel te arresteren.Maar na een tijdje, begon de veldwachter, wiens vrouw al jaren horizontaal op begraafplaats Crooswijk lag te vergaan, te klagen. En Nel besloot hem tussen haar dijen te verwelkomen.De magere besnorde veldwachter kroop hijgerig op Nel, die nog wel besloten had nooit de liefde te bedrijven.Pijnlijk door boorde de veldwachter gek van geile opwinding de maagdelijke vagina van Nel Capone.¨Lekker he schatje¨, zei hij met fonkelende oogjes.Toen hij niet veel lang hierna klaarkwam, gromde hij dat ze lekkerder was als haar moeder Betsy, dit maakte een oer kwaadheid in Nel los.Ze omsloot haar gespierde benen rond de onder rug van de veldwachter, en kneep haar knieën naar elkaar toe.De veldwachter die net al zijn kracht aan de seks verloren was gilde, maar het had geen baat, zijn rug brak, en een bloedstraaltje viel op de witte borsten van Nel.Morsdood viel hij neer op Nel, ze gaf hem grijnzend een kus, en begroef hem die nacht in haar tuin.Zo werden er keer op keer mannen vermist in Delfshaven.Toen de Politie er lucht van kreeg dat het wel eens Nel kon zijn die hier meer van moest weten, vielen ze bij haar binnen.

Maar Nel was vertrokken, waarheen weet niemand, maar er is nooit meer wat van haar vernomen.Veertig mannen met gebroken ruggen kwamen uit haar tuin omhoog.Maar de politie heeft het altijd verborgen gehouden, het was immers het falen der wet….

 February 15, 2013  Posted by at 22:46 Pieters Proza No Responses »
Feb 152013
 

Title: Sneldichter Sam Cohen uit Delfshaven | Artist: Pieter Zandvliet | Category: Pieters Proza Hoe oud ik was weet ik niet meer precies, een jaar of zeven denk ik.Toen hoorde ik mijn moeder praten met de buurvrouw over die vieze ouwe sigaren Jood.Hiermee bedoelde de dames onze sigarenboer Sam Cohen.De buurvrouw vertelde met haar lijzige zeikstem dat hij een foto van een meisje uit de buurt in zijn etalage tussen de seksboekjes had neergelegd, en de vader van dat meisje had de arme Sam bijna gewurgd.Sloeg natuurlijk helemaal nergens op, zoals zoveel dingen die er gebeurde in Delfshaven gebaseerd waren op onwaarheden en grote mis verstanden.Die seksboekjes lagen er altijd al, en de foto van dat meisje had Sam gevonden en er tussen gelegd zodat degene op de foto die kon ophalen, maar de barbaren begrepen dat natuurlijk weer verkeerd.Die seksboekjes van Sam koste mij zowat een arm, nee niet van de zelf verwennerij, daar was ik toen nog niet mee bezig, mijn plassertje diende in die tijd alleen als plas gerei.Maar mijn moeder rukte mijn arm er altijd bijna af, als ik er naar keek bij het langslopen op weg naar de supermarkt of een andere dagelijkse bezigheid.Sam knikte altijd vriendelijk met zijn kalende kop en hemels blauwe ogen.Net boven zijn ogen op de plaats waar Hindoestanen een rode stip zetten zat bij Sam een bruine moedervlek, die ik heel goor vond,Voor ik mijn boterhammen at, keek ik ze eerst na of die moedervlek er niet ergens tussen was gekropen.Het rare is dat ik er zelf ook één heb net onder mijn navel, die ik omgedoopt heb tot Sam.Maar goed mijn interesse voor naakte dames kwam dus door Sam, een oude sigarenboer.Beetje raar is het wel, maar zijn sigarenwinkel had iets magisch .Het pandje aan de Havenstraat was helemaal wit, er boven zat Herman een grote dikke kerel altijd op dezelfde plaats voor het raam.Vet haar en het hoofd van een varken, zijn stemgeluid leek ook op snurken.Mijn vader vertelde ooit dat Herman een biertje kreeg als hij in café De Windhoek zijn enorme leuter op de bar neerlag, ja een beetje vreemd waren ze wel in Delfshaven, wat moet je in hemelsnaam met die informatie, geef die man gewoon een pilsje.Herman werd in de jaren tachtig gevonden in de Rotte, hij had er een eind aan gemaakt nadat hij verliefd was geworden op een vrouw die hem natuurlijk afwees, rust in vrede Herman.

De sigarenwinkel werd steeds rommeliger, volgens mij was mijn vader de enige die er zijn pakje zware van Nelle ging Title: Sneldichter Sam Cohen uit Delfshaven | Artist: Pieter Zandvliet | Category: Pieters Proza kopen, toen mijn vader stopte met roken moet Sam gedacht hebben, laat ik maar stoppen met de rook gerei.Hij verkocht toen alleen nog tweedehands boeken, seksboekjes en seksstrips, van die dikke boekjes als, Wallestein, Lucifera, Sneeuwwitje en Vampirella, stuk voor stuk geweldige verhalen de moeite van het heruitgeven meer dan waard.De tekenaars stonden er nooit in genoemd, maar waarschijnlijk waren het Italiaanse tekenaars.

Op mijn elfde begon ik Sam te helpen met het sorteren van boeken.Waarschijnlijk waanzinnige boeken, maar ik had alleen interesse in die seksstrips, waar meer verhaal als seks inzat.Voor het sorteren kreeg ik altijd zo’n boekje van Sam mee.Sam slofte altijd op zijn te grote schoenen en slonzige pak door zijn winkeltje heen, af en toe zei hij iets als ik enthousiast een stapelboeken te hoog maakte, of vroeg hij hoe het met mijn ouders ging en mijn zusje.Meestal antwoordde ik dan koeltjes dat het goed met ze ging, en dat ik eigenlijk niet mocht komen in de winkel van Sam.Wat me vaak extra boekjes opleverde.Sam was een angsthaas, en dat werd hij helemaal toen hij werd overvallen en vast gebonden in zijn onderbroek, model bungalow tent werd gevonden met een prop seksboekjes in zijn mond. Daarna moest je altijd bij hem aanbellen als je wilde rondneuzen.Er werden steeds minder boeken gekocht in zijn winkel, en de tweede hands seksboekjes gingen ook niet echt hard.Maar Sam kon er van leven, en hij stond bekend als de sneldichter van Delfshaven, in de december maand zat hij in de Bijenkorf op bestelling voor de mensen gedichten te schrijven.Sam was als enige met nog een Joodse groenteboer terug gekomen uit Nazi Duitsland, en gelukkig maar, want wie wil er nou niet zo’n bijzondere sigarenboer.

In 1983 moest de arme Sam naar een bejaarden tehuis na dat zijn beide benen waren geamputeerd, niet lang hierna is hij overleden. Ik mis de man nog steeds.

Geweldig toch die Sam

Voor meer informatie over sneldichter Sam Cohen http://nl.wikipedia.org/wiki/Sam_Cohen_(dichter)

 February 15, 2013  Posted by at 12:23 Pieters Proza No Responses »
Feb 142013
 

Title: Verliefd op een Jehova getuige | Artist: Pieter Zandvliet | Category: Pieters Proza Zo tussen mijn achttiende en één en twintigste levensjaar zat ik vaker in Spanje bij mijn familie dan in Nederland.
En natuurlijk ook voor de zon en het eten, de cultuur, de taal en de dames.
Op de één of andere manier is het mij nooit gelukt er flink op los te paren.
Hoe graag ik ook wilde en er alles voor deed en liet, een playboy was ik niet.
Want een echte playboy word niet op iedere griet stapel verliefd, dat zou hem zijn hart kosten (op de één of andere manier moet ik bij playboy altijd aan de oude man denken die achter een bordje met muntjes zit bij het openbaar toilet in het Schiedamse winkel centrum) .
Ja gevoel kan je maar moeilijk uitschakelen, althans daar had Hitler geen moeite mee, hoewel haat ook een gevoel is natuurlijk, waarschijnlijk was hij overgevoelig, in ieder geval gestoord en morsdood wat dan weer fijn is.
Maar goed we gaan nu naar het strand van Badalona een voorstad van Barcelona, waar ik zeventien jaar geleden met mijn Oom Wim op een handdoek lag, althans beide op een eigen handdoek.
Mijn oom ging dagelijks tijdens de siësta zonnen, hij was dan ook abnormaal bruin, hij hield hier maar mee op toen huid kanker bij hem werd waargenomen, daar schijnt de zon niet goed voor te zijn.
Terwijl mijn oom zeurde dat ik niet zoveel aftershave op moest doen als ik ging stappen, omdat dit ordinair was, viel mijn oog op een slank meisje met stijl lang bruin haar.
Voordat oom Wim erover zou beginnen wat ik het best aan kon trekken besloot ik een duikje te nemen in de Middellandse zee, die lag daar toevallig ook in de zon.
In het voorbij lopen van het meisje groette ik haar met,”Hola”, ze lachte lief terug als wonderschone groet.
Ik nam een duik en zwom een eind borstcrawl de zee in, helemaal niet om indruk te maken of zo.
Na dit staaltje hard zwemmen ging ik in de branding zitten, toen er een schaduw over mij heen viel, ik verwachtte dat dit de schaduw van mijn oom was die mijn zwem techniek kwam bekritiseren, maar toen ik angstig omkeek zag ik een knulletje van een jaar of veertien mij vrolijk aankijken.
Hij reikte mij de hand en stelde zich voor als Ruben.
Hij vroeg of ik Fransman was, als hij had gevraagd of ik Duitser was had ik nu nog in een Spaanse gevangenis gezeten.
Ik vertelde hem dat ik Nederlands was, hoewel ik best Fransman had willen zijn.
Hij vroeg of ik bij hem kwam zitten, net toen ik wilde zeggen dat ik met mijn oom was en niet wilde ingaan op zijn misselijke versier truc, zei hij dat hij met zijn twee nichtjes was, en hij wees naar het meisje waar mijn oog op was gevallen.

Ze hete Cristina, en haar mollige nicht, sorry haar naam is mij ontschoten.
Laat ik die Gertruida Johanna Catarina dopen en het verder niet meer over haar hebben.
Terwijl Ruben honderd uit vertelde, zag ik mijn oom op de achtergrond het strand verlaten.
We zouden samen wat gaan eten, dus excuseerde ik mij met moeite.
Maar ik had wel een afspraakje geregeld helaas met Ruben erbij, ze hadden mij gevraagd me rond te lijden door Barcelona, dat zag ik wel zitten, ik vertelde maar niet dat ik daar bijna iedere dag kwam.
De volgende dag stond ik bij de afgesproken bushalte, precies om half twee.
En dat is erg dom als je met Spanjaarden, in dit geval Catalanen afspreekt, een uur later kwamen ze aan gekakt.
En ze hadden zich nog gehaast ook.
Een half uur later liepen we over de Ramblas druk te babbelen.
Op een terras op mijn favoriete berg de Monjuich vroeg Cristina of ik gelovig was.
Nee zei ik naar waarheid.
Sta je er wel open voor vroeg ze haar grote bruine ogen nog wat groter makend.
Natuurlijk zei ik bijna verzuipend in mijn eigen kwijl.
Wij zijn namelijk Jehova getuige.
Ik sloeg mijn glas Cola kapot op de rand van mijn tafeltje, en drukte die des Duivels in haar gezicht.
Nee hoor, ik vroeg heel dom of het zwaar was.
Volgens haar niet, het was juist een verlichting.

Daar zat ik dan naast Cristina en de rest van haar familie in de Koninkrijkzaal van Badalona.
Mijn Spaanse taal heb ik aangeleerd op straat, alles wat me in de taal van pas kwam aan woorden heb ik me aangeleerd, het gezwam van de kerel die door een microfoon stond te zeiken begreep ik dan ook niet.
Gelukkig kon ik me concentreren op de benen van Cristina, ook best Hemels.
Ik vroeg me onderwijl arrogant af of ik voor deze mooie meid Jehova getuige wilde worden, het was immers het proberen waard, als we getrouwd zouden zijn was het mij tegen Jehova.
Dat moet de man van pornoster en voormalig getuige Kim Holland toch ook gedacht hebben.
In ieder geval lag ik er die nacht wakker van in de keuken van Oom Wim.
Ik durfde hem niet te vertellen over mijn liefde voor een Jehova getuige, hij zou niet meer bijkomen.

Ik was in de Koninkrijkzaal uitgenodigd door de vader van Cristina om bij ze te komen eten.
Nou en dat was me een maaltijd niet normaal meer.
Juan een grote kerel vertelde dat hij in Duitsland had gewerkt, en sprak steeds Duits, na twintig keer gezegd te hebben dat ik geen Duits kon of wilde spreken gaf ik het op en deed maar of ik hem verstond, hij was immers zo enthousiast.
De wijn ging er goed in, een beetje te goed, want toen ik wilde opstaan om de wijn om te toveren tot urine in het toilet viel ik stront lazarus in de armen van Juan, die in een deuk lag.
Ik lachte ook tot dat ik het woest kijkende gezicht van Cristina zag.
Na het plassen wilde ik weg gaan, maar dat mocht niet, ik moest en zou daar blijven slapen.
Met dubbele tong belde ik mijn oom.
Die me de huid vol schold dat ik een slapjanus was die dronken werd bij het eerste bezoek aan de ouders van een meisje.
Een beetje gelijk had hij wel.

Niet veel later viel ik gelukkig zonder te kotsen in slaap.
In de ochtend gloren gingen mijn ogen met moeite open, maar het beeld van een swastika deed ze wijd open staan.
Ik lag tussen de nazi uniformen, foto’s van Hitler en weet ik veel wat voor zielige rotzooi nog meer.
Ik wilde alleen nog maar weg.
Verward en met koppijn van de beroemdste kater des wereld liep ik in mijn onderbroek in de huiskamer tegen de moeder van Cristina aan.
Die duwde me op een stoel en gaf mij koffie.
Ik vroeg haar van wie dat nazi museum was.
Ze zei lief lachend dat die van haar oudste zoon was, het was alleen maar zijn hobby zo zei ze.
Cristina was aan geschoven, en toverde gelukkig een stralende lach op haar gezicht, ze gaf mij een boekje.
Geen bijbel maar wel iets over jonge Jehova getuigen wat ik echt zou moeten lezen.
Ik beloofde dit plechtig en nam afscheid.
Op een bankje in een parkje bladerde ik het boekje door, het ging over seks, dat wil zeggen wat je allemaal niet mag.
Mijn interesses verzwakte helemaal toen ik zag dat je jezelf niet mocht bevredigen.
Met een prachtige gooi belande het boekje in een donker groene prullenbak.
Jehova had het van mij gewonnen……….

 February 14, 2013  Posted by at 11:48 Pieters Proza No Responses »
Feb 122013
 

Title: Mijn Cruyff | Artist: Pieter Zandvliet | Category: Pieters Proza Ergens in 1969 werd ik te Leiden geboren. Allemaal leuk en aardig, maar wat mij betreft werd ik te laat geboren. En eigenlijk niet wat mij betreft, maar wat Johan Cruyff betreft. Ik bedoel die was in de tijd dat mijn moeder mijn luiers verschoonde en ik haar molk (naar haar zeggen erg ruw) was Jopie al een grote ster aan het worden.

Ik groeide op in Delfshaven te Rotterdam, aan de Sparta kant in het westen van Rotterdam. Er woonde toen maar enkele Feyenoorders in de wijk, en dat werden er hoe ouder ik werd steeds meer. Als Sparta fan stond ik op goede voet met de Feyenoorders. En ging tegen de regels van andere Spartanen in vaak naar de Kuip met mijn vader die voor Feyenoord was. Mijn vader vertelde mij vaak over Johan Cruyff, dat hij de beste voetballer allertijden was. Als Feyenoorder was mijn vader dus een beetje fout.

Ik speelde zelf bij VVOH, de nu niet meer bestaande Voetbal Vereniging Ons Huis. We speelde in Ajax shirtjes of Ajax in VVOH shirtjes dat zou zo maar kunnen. Deze shirtjes waren bij onze tegenstanders op zijn zachtst uitgedrukt niet erg geliefd. We konden gelukkig naar onze blauwe broekjes wijzen als ze ons echt begonnen pijn te doen. Ik moest op het malse gras vaak denken aan de verhalen van mijn vader over Johan Cruyff, hoe hij ongrijpbaar langs iedereen heen dribbelde, alsof hij een voetballer was uit de toekomst en zijn tegenstanders voetballers uit het verleden. Ik wilde ook Cruyff zijn, al had ik hem nooit zien spelen. Op mijn kamer stond een rubber poppetje van Cruyff in het tenue van FC Barcelona, als je er in in kneep piepte het, ik had het gekregen van mijn Oom Wim die in Badalona woont, vlakbij de Catelaanse hoofdstad. Dus op zijn zachts gezegd was mijn beeld van Johan Cuyff een beetje verwrongen, een beetje mytisch.

Ten tijden van het Wereldkampioenschap te Argentinie kon ik eindelijk mijn idool in levende lijven zien. Mijn vader was tot aan de finale aan het werk in Lisabon, dus helaas moest ik als Negen jarige zelf de wedstrijden van Oranje, door mij tot de sinaasappels gedoopt kijken. En wat speelde mijn held goed, en wat hoopte ik ooit zo goed als hij te worden.
Zoals bekend haalde wij de finale, niet makkelijk, maar zeker niet moeilijk. Mijn vader was weer terug, hij had nog geen wedstrijd kunnen zien, dus ik verheugde mij erop hoe verbaasd hij zou zijn, zijn held te zien schitteren. Ik zat meteen in de wedstrijd, tegen die gemeen kijkende Argentijnen, wat vond ik die gasten eng. Toen gebeurde het, mijn held schoot op de paal. Ik stond op van de bank, sloeg mijn handen alla Jan Mulder op het hoofd en riep´Johan wat doe je nu´. Mijn familie keek mij verbaasd aan, En ik keek even verbaasd terug. Mijn vader verbrak de stilte en zei,¨ Pieter dat is niet Johan Cruyff knul, dat is Robbie Rensenbrink. Dubbel bedroefd ging ik naar mijn bed, Oranje verloor de finale en mijn idool was iemand die op hem leek.

 February 12, 2013  Posted by at 12:50 Pieters Proza No Responses »
Feb 112013
 

Title: Wandelen in Nieuwleusen | Artist: Pieter Zandvliet | Category: Pieters Proza Als alle sporten pijn doen, maar je wilt wel bewegen, wat ga je dan doen meneer Zandvliet, vroeg ik mezelf vorige week een paar dagen af.
WANDELEN, schoot het mijn hoofd in.
En ja hoor, ik heb er in pak hem vast, vier wandelingen opzitten.
Vandaag besloot ik in de buurt te blijven, en hier in Nieuwleusen een rondje te doen, samen met Elvis mijn trouwe viervoetertje, gezellig.
We besloten de paarse route te doen.
Het begin was moeizaam, elvis moest steeds een boom of paaltje besnuffelen, om die vervolgens onder te parfumeren. Maar na twee kilometer zette hij de stap erin, gelukkig.
Op de Spijkerweg liepen we langs de beelden tuin van een kerel, die ooit de filmploeg van Man bijt hond van zijn erf joeg. Hij heeft de meest afzichtelijke kitsch beelden bij elkaar verzameld, zie de foto´s, maar toch is het indrukwekkend en Wereld vreemd tegelijk. Dit soort zonderlingen geven de Wereld altijd kleur, het kunnen er niet genoeg zijn, maar het zijn natuurlijk niet voor niets zonderlingen. Als ik de Bizon, cowboy en Indiaan heb gegroet lopen wij vrolijk verder.
Vier jongens op hun fiets met achterop hun bagage drager een kratje Heineken pijpjes passeren mij, groeten vrolijk en maken grapjes over Elvis, die ze negeert, hij haat jongeren, en dan kun je ze het best maar negeren. We lopen het weiland in, waar we naar een beetje pad moeten zoeken, want mijn enkels breken wilde ik even uitstellen, er blijkt niemand deze tocht te doen, want een lekker loop paadje is er niet, wel traktorsporen die het er niet leuker opmaken. Overal om ons heen slaan honden aan, honden minstens vier keer zo groot als Elvis, die de honden vrolijk uitdaagt  Zo schommelen we door, en slaat on wandelen nergens meer op. op een gegeven moment moest ik zelf een brug onderdoor, en Elvis haat water, dus daar vielen wij maar net niet in.Toch hielden wij het anderhalf uur vol, en kwamen wij opgelucht thuis aan. Volgende keer weer naar het bos….

 February 11, 2013  Posted by at 18:47 Pieters Proza No Responses »
Feb 112013
 

Het zonnetje fluit alvast naar de Lente die er gelukkig bijna aan gaat komen.
We hebben net ons hondje Elvis naar de dierenarts gebracht, best ingrijpend, hij heeft drie snijtanden, dus moet er één uit. Hij kreeg vanmorgen na zijn dagelijks ochtend rondje geen eten, en daar was señor het helemaal niet mee eens. Maar hij heeft weinig te willen, dan had hij maar niet als hond geboren moeten worden. Het was lullig om onze kleine rakker achter te laten in een hok, die hem volgens mijn vrouw en mijn persoon met veel gevoel voor drama aan zijn tijd in een kennel te Malaga zal doen denken.

Op de terug weg moest ik uit het niets denken aan een lief sleepbootje, dat ik een aantal jaar geleden voor het eerst heb zien liggen aan de Leuvenhaven, op de wal wel te verstaan, want deze mooie lieverd werd bij toeval ontdekt in 2002 doen duikers van W. Smit Duik- en Bergingsbedrijf Uit Rotterdam tijdens een routinecontrole aan de fundering van de Koninginnebrug een merkwaardige vondst: zij vinden een complete sleepboot, half weggezonken in de maasbodem. Maritiem Rotterdam is in rep en roer. Dankzij een motorplaatje komen kenners er achter dat de sleepboot van circa elf meter de ‘Title: Sleepbootje de  Amicitia | Artist: Pieter Zandvliet | Category: Pieters Proza ‘ heette.
De Amicitia lag er toen ik hem zag prachtig bij in het zonnetje, helemaal verroest, wat hem, nou ja Amicitia is een meisjesnaam, dus, wat haar er alleen maar mooier op maakte. Ik was op slag verliefd. Ik hou van alle sleepboten op zeker, maar dit was wel een heel bijzonder exemplaar.
Het bootje is ten tijden van de Tweede Wereld oorlog gezonken, die lag daar dus al jaren in al haar schoonheid te vergaan. Rotterdam had wel wat anders aan zijn hoofd, de stad moest opnieuw opgebouwd worden, en de Amicitia werd blijkbaar vergeten. Al denk ik dat er genoeg oude Rotterdammers zijn geweest die precies wisten waar het bootje ongeveer moest liggen, die weten namelijk alles, en als ze het niet weten, dan verzinnen ze het wel, met of zonder neut.

Dat ik gelukkig niet de enige was die de Amicitia zo mooi vond blijkt uit een persbericht op de website van het Vereniging de Motor sleepboot. Kunstenaar Cees van Hal (1937) heeft het slepertje uit alle hoeken geschilderd, en de resultaten in 2008 museum Mesdag te Den Haag geëxposeerd.
Ik heb er in het zelfde jaar een foto van gemaakt, die bewerkt, en uitgesneden, en op een straatsteen gespoten.(stencil techniek)
Het steentje staat nu op een muurtje in onze tuin, hier in Overijssel.
Zo heb ik haar een beetje bij mij.

De Amicitia (1941) word momenteel gerestaureerd, door liefhebbers samen met kansarme jongeren (wat een kut benaming) te Scheveningen , en zal dan als drijvend monument weer gaan varen.
En zo hoort het ook!
Voor informatie over dit kroon juweeltje kunt u contact opnemen met De Stichting tot Behoud van de Amicitia.

Title: Sleepbootje de  Amicitia | Artist: Pieter Zandvliet | Category: Pieters Proza

Rotterdam 2
Mixed-media n paper
50×65 cm

 February 11, 2013  Posted by at 14:36 Pieters Proza 1 Response »
Feb 102013
 

Title: De lelijke Jesus | Artist: Pieter Zandvliet | Category: Pieters Proza De zon schijnt. Maar helaas niet in Zwolle, daar regent het pijpenstelen, boven op het kale hoofd van Job Anijs, de hoofdpersoon uit dit verhaal.Ondanks de regen, die zijn zomerse outfit in de vorm van een wit t-shirt en een korte donkerblauwe surfshort nat heeft geregend, glimlacht Job de verte in. Hij is vrij als een vogeltje hoog in de lucht. Of dat vogeltje hoog in de lucht net als Job Anijs óók uit de gevangenis komt even daargelaten. Job heeft drie jaar vastgezeten voor een roofoverval op een juwelier in Zwolle. Alles was in kannen en kruiken: Job had onder bedreiging van een Winchester-geweer, model 1873, gestolen van zijn opa, de doodsbange juwelier een flinke tas sieraden weten te ontfutselen. Dat stadsbussen niet meegeven kwam Job achter toen hij er tegenaan rende. Terwijl Job bewusteloos op het Overijssels asfalt lag, met zo’n beetje alle botten in zijn lichaam gebroken, ontstond er een totale chaos. De winkelende mensen waren veranderd in meedogenloze rovers, ze sloegen zich een weg naar de juwelen die overal op de grond lagen. Kinderen werden onder de voet gelopen, belandden net als Job in het ziekenhuis. De buschauffeur die tegen Job aan was gereden wilde zijn busdeuren gesloten houden, maar zijn passagiers sloegen de ruiten in om bij de juwelen te komen. Al snel kwam er een politiewagen op de chaos af, de twee agenten stapten uit, om zo snel mogelijk weer in hun dienstwagen te springen en versterking op te roepen. Nog voor de versterking ter plaatse was, waren de mensen met de juwelen huiswaarts gekeerd en konden ambulances de gewonden eindelijk vervoeren. Nu had Job alleen nog een aantal metalen pinnen in zijn lichaam, en een zooi lelijkelittekens. Het kon hem niet schelen, hij was vrij, en ging zijn leven beteren.

Niet alleen dat van zichzelf, maar van iedereen op de hele wereld, en wat hem betreft die daar buiten ook nog. De nacht voor zijn vrijlating had hij een verschijning gezien van een man met een hoofddoek. De man kwam via de celmuur, ging op het bed zitten naast de met open mond starende Job, die juist van plan was een laatste keer de liefde in zijn cel met zijn rechterhand te delen. De Playboy lag al klaar op zijn benen. De verschijning stelde zich voor als de Heilige Mario. Hij sprak gebrekkig Nederlands, de woorden uit zijn mond kwamen er met een echoënd geluid uit. Hij drukte een dikke wijsvinger op de magere borstkas van Job en zei,” Jij Job Anijs gaat het doen, jij zal de wereld beteren”. Voor Job kon vragen hoe de Heilige Mario gedachte had hoe Job dit moest gaan klaren, verdween hij zonder afscheid te nemen door de muur, naar waar hij vandaan kwam. Job bekeek de foto van een naakte dame in zijn Playboy. Wat zag ze er seksloos uit na de ervaring van zo even met de Heilige Mario. Dat handstoeien, daar had Job geen zin meer in. Hij had nu wel wat anders te doen; de wereld redden. Het was natuurlijk niet voor niks dat de Heilige Mario juist nu op visite was geweest, net voor Job vrij zou komen. Het was alsof Job helderder kon denken, en het leek alsof zijn magere slungelige lichaam een beetje licht gaf. Geel licht, zoals de auto’s van dertig jaar geleden. Maar Job kon het zich ook verbeelden. Job was niet verder gekomen dan de kerstverhalen die Juf Berta met haar hese stem op de lagere school had verteld, een Bijbel had hij nooit gelezen. Sterker nog, al had hij gewild, Job was dyslectisch als een hond. Nu was Job op weg naar de Indische buurt net buiten het centrum van Zwolle, waar de ouders van Job wonen.

Zijn Vader Ta Anijs is een gepensioneerd uitkeringtrekker, zijn leven lang heeft hij voor zijn televisie gezeten en op alles en iedereen afgegeven. Tot vijf jaar geleden, hij hield er per direct mee op. Een mooi besluit, want immers niet iedereen kan perfect zijn. Zo ook de oude vetzak Ta niet, hij kreeg die dag een hersenbloeding waardoor hij dus per direct stopte met op iedereen af te geven. Nu murmelt en kwijlt hij alleen nog maar. De gebeden van zijn Griekse vrouw Ioanna Klotszaki waren verhoord; ze hoopte dat haar man of jong zou sterven dan wel een hersenbloeding zou krijgen waardoor hij een kasplant werd. Na jaren zijn haar gebeden dan toch verhoord. Verzorgen vind ze niet erg, en als ze hem eens vergeet eten te geven, klaagt hij toch niet. Als hij teveel murmelt zet ze een bandje met Sitaki muziek op. Ioanna, de moeder van Job dus, is een kleine vrouw met zwart krullend haar, ze word maar niet grijs. Ze heeft een lagere stem dan haar man, nu zeker. Ta staart naar de breedbeeldtelevisie. Naar een korte Nederlandse speelfilm,”Sudderen”, over een onbehouwen kerel die zich dood eeten tijdens de daad begeeft zijn hart het. Ta verblikt of verbloost niet, de film komt waarschijnlijk niet bij hem binnen. Dan gaat de bel, Ioanna rent naar de voordeur, trekt hem open en omhelst haar verloren zoon, huilend van vreugde. “Kom binnen mijn lieve jongen, mama heeft Mousaka klaargemaakt”. “Lekker mama, daar heb ik zo naar verlangd”, zegt Job blij. Dan komt Tedje uit de gangkast, hij rent op zijn broer af, en wil hem omhelsden. Job duwt hem weg en zegt,”Tedje, niet aanraken jongen, je weet wel waarom”. Tedje is op zijn zesde levensjaar van een muurtje gevallen en bovenop zijn toch al niet al te slimme hoofd terecht gekomenHij heeft hiereen flinke hersenbeschadiging door opgelopen. Tedje heeft de neiging, als hij opgewonden is, zichzelf heel ruw af te trekken. Vroeger deed hij dat in de huiskamer, maar toen hij ouder werd trapte Ta hem de gangkast in. Hier van heeft Tedje een gewoonte gemaakt. En om deze reden mag hij Job niet aanraken. Aan de eettafel vertelt Job zijn moeder over de ontmoeting met de Heilige Mario. Zijn moeder verbetert hem en zegt dat hij de Heilige Maria zal bedoelen. Job grapte dat hij niet wist dat Maria een flinke baard had, waarop Ioanna zwijgt, maar blíift denken dat haar zoon zich vergist. “Ik ga de mensheid redden lieve moeder”, zegt Job dan, met zijn wijsvinger in het niets priemend. “Dan heb je heel wat te doen mijn knul”,zegt Ioanna dan, onderwijl een sterke bak leut inschenkend. “Waar is mijn grote broer Bob”,vraagt Job. “Die ligt in het ziekenhuis en komt er nooit meer in”, zegt Ioanna dan met de woede in haar ogen, die Job nooit eerder bij zijn moeder heeft gezien. “De stomme klootzak stond opeens met zijn broek op zijn hielen achter mij op de overloop, waar ik aan het strijken was. Hij trok mijn rok omhoog en wilde ook mijn onderbroek omlaag trekken om mij achterlangs te nemen. Mama heeft hem toen de hete strijkbout in zijn lelijke smoel gedrukt waardoor hij de trap afviel en zijn kippennek brak. Job neemt geschokt een slok van zijn koffie, het duizelt hem in zijn hoofd. Zou dit dan een straf van God zijn? Dan wordt zijn overpeinzen verstoord door Tedje, die schreeuwt,”Dat kan toch!”, Niet dat hij reageert op het verhaal van zijn moeder, maar het is het enige zinnetje dat hij uitspreekt. Ioanna loopt op hem af, en mept het stuk onbenul met haar pantoffel de gangkast in. Ze zucht, en zegt wat ze altijd zegt,”waar heb ik die idioot aan te danken”. Job glimlacht, en vindt het heerlijk om weer thuis te zijn. Ioanna werd geboren in de Griekse industriestad Thessaloniki. Ta heeft Ioanna ontmoet toen ze met haar ouders op vakantie was bij familie die in Zwolle woont, en tot haar grote spijt is ze nadien nooit meer in Griekenland geweest. Ta heeft haar vaak beloofd haar ooit mee te nemen naar haar geboortegrond als hij een baan zou vinden. Maar daar moet je wel naar zoeken, en dat deed Ta niet. Hij wilde op een goedkope manier het hart veroveren van Ioanna om een wippie te fiksen. Het is hem in al die jaren drie maal gelukt, en daar zijn de jongens door verwekt. Ioanna heeft haar mooie knieën verder altijd stevig tegen elkaar aangedrukt, haar behoeften op seksueel gebied liet de mooie vrouw buitenshuis blussen. Niet te vaak en steeds met anderen, want ze moest niks hebben van die verliefde dekhengsten. Tweemaal stond ze met haar koffer op het treinstation van Zwolle om haar gezin te verlaten, dat was bij het overlijden van haar ouders. Maar ze besloot dan toch voor haar kinderen te kiezen, en daar hoorde die slappe lul van een Ta ook bij. Na de heerlijke, vol-romige Griekse Yoghurt met walnoten en bloemenhoning wil Job met zijn moeder dansen. Daar heeft hij zo naar verlangd in de gevangenis. Ook Ioanna heeft hier erg naar verlangd, ze heeft Job als enige van haar zonen dansen geleerd. Ze zet een langspeelplaat op met Rebétika muziek. Deze muziek wordt wel vergeleken met Flamenco, Tango en Fado muziek qua intentie. Het zijn veelal lofzangen. Ioanna en Job dansen dat het een lieve lust is. Tedje is de gangkast weer uitgekropen. Met een blauwe bult op zijn voorhoofd staart hij naar het dansende stel, met de bult in zijn broek speelt hij een beetje. Na twee nummertjes valt hij in slaap. Laat die avond gaat Job, een beetje aangeschoten van de Ouzo, een Griekse anijsdrank, naar zijn bed.

Zijn kamertje is niet veranderd, aan de muren hangen naakte dames en zijn goedkope stereotoren staat in een hoekje. Job haalt de posters van de muur en legt ze op een stapeltje. Dit heeft hij niet meer nodig nu hij de wereld gaat redden. Hij pakt een stift en wil spreuken op de muur schrijven, na een kwartier legt hij de stift weer op zijn plaats. Er komen geen spreuken in hem op. Dat zal vast nog wel komen! Tevreden valt hij in een diepe slaap.

De volgende ochtend vroeg verlaat Job het huis, tezamen met zijn broertje Tedje, die hij op straat een hand geeftf, wel witgehandschoend, wat het tafereel niet minder nichterig maakt. Job is op weg naar de juwelier die hij beroofd had, hij wil zijn excuses aanbieden voor zijn schandalige daad. Gelukkig bestaat de winkel nog steeds. Job stapt naar binnen met Tedje. Kan ik u van dienst zijn, vraagt de oude juwelier die Job niet herkende zonder panty over zijn hoofd. “Ik ben Job Anijs en heb drie jaar geleden uw winkel overvallen, ik wil u mijn spijt betuigen”. De Oude man lijkt niet te luisteren naar Job, hij kijkt verschrikt. Als Job opzijkijkt ziet hij waarom de oude man zo verschrikt kijkt. Tedje, die net als zijn vader veel televisie kijkt, staat met zijn vingers, gevormd in een pistoolvorm, naar de man te richten, alsof hij hem overvalt. Job geeft zijn broertje een stomp tegen zijn bakkes en wil verder met zijn verhaal, maar de man is al van streek. Met een groot mes staat hij te zwaaien en schreeuwt,”mijn zaak uit, hersenloos tuig, of ik rijg jullie aan mijn mes”. Snel nemen de broers de benen. De eerste missie van de herboren Job is faliekant mislukt, mede door Tedje, die buiten nog een paar klappen krijgt. Gelijk heeft Job spijt en knuffelt zijn huilende broertje. Op deze manier kan hij de wereld niet beter maken. Hij trakteert Tedje op een ijsje, die meteen helemaal onder het ijs zit. Dit mankement was Job even vergeten. Op een bankje denkt Job na over hoe hij het verder gaat aanpakken. Allereerst moet hij een ruimte hebben, van waaruit hij de mensen zal preken over zijn plannen, dan komen wij meteen op punt twee: Welke plannen gaat hij daar preken? Kwam de Heilige Mario maar voor de dag, dan kon hij die om advies vragen. Die zal wel een mooi engeltje aan het palen zijn op een wit wolkje boven Zwolle. Hij kijkt naar de wolken, en heeft alweer spijt van zijn obscene gedachten. Daar had hij vroeger nooit problemen mee, maar na het verschijnen van de Heilige Mario heeft hij vaak spijt van de dingen die hij zegt en doet. Dan merkt hij op dat Tedje verdwenen is. Hij gaat meteen opzoek naar het stuk verdriet. Als hij de moed wil opgeven, hoort hij roepen,”Dat kan toch”. Hoog in een boom ziet hij zijn broertje. Hij durft de boom niet uit, en een menigte heeft zich al om het al maar gillende joch verzameld. Met moeite klimt Job naar zijn broertje, voorzichtig pakt hij hem vast, en klimt voorzichtig naar beneden, waar de mensen spontaan beginnen te klappen voor zijn heldendaad. “U zijdt gezegend”, ontsnapt er uit zijn mond . Hij is er zelf verbaasd over. Een aantal mensen blijft staan, terwijl de meesten weglopen, bang voor teveel zegens. Job legt uit aan zijn bewonderaars dat hij gestuurd is door de Heilige Mario, en dat hij samen met hen dewereld wil beteren. Een grote Afrikaanse man vraagt of hij een kerk heeft. “Nog niet, beste man”, zegt Job. De man vertelt dat hij in een groot kraakpand woont waar hij best mag preken. Meteen spreekt Job af met de mensen voor de aankomende zondag, een aantal volgers heeft hij dus al.

Thuis vertelt hij alles aan zijn moeder, die maar wàt trots op haar zoon is. Althans, dat doet ze zo overkomen, want in werkelijkheid is het goede mens bang dat Job straks in een inrichting zal belanden. Als Job zich terugtrekt op zijn kamer, luistert hij naar muziek van The Butthole surfers, een band uit Austin Texas. Dan komt Tedje zonder te kloppen zijn kamer binnenlopen, vermoeid stapt Job op hem af om hem zijn kamer weer uit te zetten, maar dan herkent hij de stem van de Heilige Mario,”Wacht Job, ik heb bezit genomen van het lichaam van Tedje’. Verbaasd neemt Job plaats op zijn bed, met Tedje naast hem, die zo’n beetje voor het eerst in diens leven een bedenkelijke blik heeft. Heilige Mario legt zijn hand vriendschappelijk op het bovenbeen van Job, die de hand even vriendelijk weer terug legt op het bovenbeen van de Heilige Mario, die hierop wat ongemakkelijk kucht. “Ik ga je helpen Job, citeer wat ik je nu ga vertellen”. Ijverig pakt Job een potlood en een stuk papier. “Het geloof, mijn vriend, verliest terrein, en als het met deze gang doorgaat zal het uiteindelijk verdwijnen. Je zult denken ”er zijn toch genoeg gelovigen?” maar Satan, in de vorm van de commercie, brengt mensen op andere gedachten. Men denkt niet meer aan God, Allah, Budah of welke andere God ook. Men denkt aan zichzelf. Het eigen ego is belangrijk, maar het is een opgelegd ego, gebakken lucht die alleen is verzonnen omzoveel mogelijk geld te maken, ten koste van de ego. Satan lacht zich onderwijl zijn puntlul de vieze anus onder zijn staart in. Hij wint meer zieltjes per seconde dan welk ander geloof dan ook. Geld is trouwens uitgevonden door Satan, maar dat wist je denk ik al”. Dit wist de driftig schrijvende Job niet. Satan kon hem net als God nooit een moer schelen, tot voor kort stonden ze voor Job gelijk aan Sneeuwwitje en Roodkapje. Ook in de verschillende geloven is Satan aanwezig, zet ze tegen elkaar op, terwijl bijna elk geloof voor dezelfde God gaat, en de weg naar vrede zo simpel is, als je het met zijn allen doet. Onder het vertellen voelt Heilige Mario de drang zich na iedere zin even af te rukken. Het zal waarschijnlijk door Tedje worden opgewekt, die probeert weer door zijn eigen ogen dewereld in te kijken. Hij moet er maar snel een eind aan breien. “Ik denk dat dit wel weer genoeg is, lieve Job, je kunt zondag je eerste preek doen, doe je best, God zij met u”. Na deze woorden schreeuwt Tedje direct,”Dat kan toch”, de Heilige Mario heeft zijn lichaam verlaten. Tedje kijkt verbaasd om zich heen, trekt zijn broek naar de enkels en wil zich ruw bevredigen. Maar Job gooit hem zijn kamer uit, en zegt,”nu even niet Tedje”.

Job voelt bedenkelijk aan zijn volle baard, verbaasd kijkt hij in de spiegel. Er staat een neger met een blonde baard, en lang, stijl, bruin haar. Het enige dat herkenbaar is, zijn de blauwe ogen. Wat heeft Heilige Mario nu met hem geflikt? Niemand neemt hem zo toch serieus. Hij wil wakker worden, maar het lukt niet, omdat hij al wakker is. Hij bevindt zich in een levende nachtmerrie. Tot overmaat van ramp wordt erop de deur geklopt, en zoals altijd komt zijn moeder zonder antwoord af te wachten zijn kamer binnengelopen. Ze slaakt een gil als ze haar zoon ziet, en het dienblad met thee en beschuitjes met verse aardbeien belanden op de grond. Zijn moeder zakt langzaam kreunend door haar knieën, Job wil haar opvangen, maar is net te laat, Ioanna valt met haar voorhoofd op de grond. Job schudt haar lichaam door elkaar, en ziet dat zijn moeder nog een goed stel tieten heeft. Hij jammert dat ze bij moet komen, na vijf minuten belt hij een ziekenwagen. In de tijd dat hij op de ambulance wacht blijft hij maar schudden en jammeren. Als de ambulancebroeders binnenlopen, kijken ze verbaasd naar Job en zijn nieuwe gedaante. “Schiet op klootzakken, red mijn moedertje”, jammert hij huilend. Na een tijdje druk reanimeren wordt duidelijk dat Ioanna overleden is, een goed stel tieten of niet. Job duwt één van de ambulancebroeders tegen de grond en vlucht het huis uit. Hij gilt, en rent maar door. Zijn lange bruine haren wapperen in de wind. Net de stad uit bij de Hessenweg zakt hij eindelijk inéén op een weiland. Daar zit hij dan, als een soort zwarte Jezus. Het liefst wil hij hartstikke dood. Waarom zou hij zonder zijn moeder op de wereld, de wereld gaan redden, laat de wereld lekker ontploffen. Klote Heilige Mario, hij had hemwel even mogen inlichten over zijn gedaanteverwisseling. “Heilige kloteklapper waar ben je nu dan?” schreeuwt Job hysterisch. Rustig komt de Heilige Mario met een vertrouwde glimlach uit de bosjes naar de op de grond zittende Job,die met zijn handen voor zijn ogen zit te grienen. De Heilige Mario gaat achter Job staan en legt zijn handen op diens schouders, en zegt,”Rustig maar, mijn jongen”. Vliegensvlug staat Job op, waardoor zijn hoofd hard tegen de Heilige kaak van Mario stoot. Nog voor die duizelig tegen het gras aan smakt, krijgt hij nog een paar stoten van Job voor zijn Heilige smoelwerk. Als hij op de grond ligt, springt Job op zijn lichaam, bezeten springt hij op en neer. Als de Heilige Mario weer is opgestegen zonder zijn lichaam, waar hij niks meer aan heeft, houdt de onder het bloed zittende Job eindelijk op. “Vuile Heilige tievesrat, dit is je verdiende loon”. Job loopt verdwaasd naar wat struiken om te plassen,”ook dat nog”, schreeuwt hij, een zwarte penis en nog geen centimeter groter ook”. Dan begint hij weer te rennen, mensen in autos en op fietsen stoppen om naar deze onder het bloed zittende vreemde neger te zien.” Van welk continent komt die nou weer?”vraagt een oude klein dik boertje, terwijl hij zijn heg knipt. Job hoort en ziet niks, hij rent, zijn blauwe ogen vol haat gericht op niets. Dan duikt hij ter hoogte van Ommen de IJssel in. Niet om even lekker te zwemmen, dat kan hij niet. Hij verzuipt zonder tegenstribbelen. Een jongetje op een muurtje, zittend bij de brug over de Ijssel, zag de zwarte Jezus de IJssel in duiken. Sinds die dag wordt er gezocht naar het lichaam van Job, beter bekend als Lelijke Jezus, maar tot nog toe heeft niemand het ooit kunnen vinden……

 February 10, 2013  Posted by at 18:50 Pieters Proza No Responses »
Feb 092013
 

Title: Oude heks | Artist: Pieter Zandvliet | Category: Pieters Proza Robert Brul loopt met piepende wit Zweedse klompen door de gang van bejaardentehuis,”de Klok” over het grijze linoleum van een smalle gang. Robert is een jonge broeder, die vandaag zijn eerste dag doormaakt na zijn goed verlopen stages. De eerdere verzorging deze dag op een andere verdieping verliepen uitstekend. Robert heeft er zin in, hij is gek op oude mensen. Hij groeide op, niet ver van dit bejaardentehuis te Tiel. Als knulletje aan de vertrouwde hand van zijn moeder op weg naar de kleuterschool, liep hij altijd langs het bejaardentehuis, en zwaaide naar de oudjes die voor hun raam naar buiten keken, iedereen zwaaide vrolijk terug, op slechts een dame na. Die dame keek hem nors aan, je zou beter kunnen stellen dat de dame zijn moeder en Robert dood keek. Ze had altijd een deftige hoed op haar oranje bejaarden permanent. De rillingen liepen over zijn rug, bij de gedachtte aan de vrouw. Dat is al haast achttien jaar geleden, denkt Robert als hij op een deur klopt en roept,”Mevrouw Krieltjes”, verzorging. Een antwoord blijft echter achterwege, waarop Robert de handeling herhaald. Maar weer krijgt de jonge broeder geen sjoege. Voorzichtig doet hij de deur open, het zal toch niet zo zijn dat hij op zijn eerste werkdag een dood oudje aantreft, speelt het door Robert zijn zongebruinde hoofd. Als Robert naar mevrouw Krieltjes kijkt die voor het raam zit, onderdrukt hij met enige moeite een gil van schrik. Het oudje is niet dood, springlevend kijkt de dame Robert aan. Het is de dame uit zijn jeugd, ze kijkt nog altijd nors, nog veel norser als in zijn herinnering. Robert haalt alle moed uit zijn magere lichaam, en zegt,”Dag mevrouw”, ik ben nieuw hier, mijn naam is Robert”, met een zucht sluit hij zijn zin af. Mevrouw Krieltjes kijkt hem zwijgzaam aan. Zou ze hem herkennen, onwaarschijnlijk denkt Robert, die van de chrysanten lucht in de benauwde kamer, nog misselijker wordt dan hij al was.
Hoe zal deze dagmerrie aflopen. Het ziet eruit dat de stokoude dame zichzelf al verzorgd heeft. Dan hoeft Robert haar in ieder geval niet aan te raken. “Wilt u iets drinken mevrouw Krieltjes”, vraagt Robert wat opgelucht. De dame maakt een smak geluid en doorbreekt haar zwijgen met, “thee”. Robert glimlacht zo echt mogelijk en maakt zich uit te voeten om een kopje thee te halen voor het oude monster.

Duizelig en in een totaal andere gemoed toestand als op de heen weg, loopt hij weer over het linoleum. Hij zweet uit al zijn poriën, en slaat af het toilet in. Hij geeft over, waarna hij zijn mond met koud water spoelt. Hij kijkt zijn bleke gelaat aan in de spiegel, “kom op Robert laat je niet kennen jongen”, spreekt hij zich zelf moed in. Even later loopt hij de kamer van de dame weer in met een dampend kopje thee. “Hier is uw kopje thee” zegt Robert terwijl hij het kopje voor de dame op een tafeltje neerzet. “Dat zie ik ook wel Robert”, snauwt ze hem toe, alsof ze hem al jaren kent. Het is in ieder geval beter als het zwijgen, wat ze eerder deed denkt Robert. “Wat ruiken de chrysanten heerlijk”, liegt hij, als hij naar een bos verse chrysanten in het midden van het tafeltje wijst. “Ben je een homofiel” vraagt mevrouw Krieltjes dan”. “Dat ben ik”, mevrouw Krieltjes, lacht Robert. “Dat druipt wel van je af”. Robert schaamt zich allerminst voor zijn seksuele voorkeur, maar dit is de eerste keer dat iemand dit zich hardop afvraagt. Hij kijkt boos naar de bos chrysanten, alsof die hem de vraag stelde over zijn seksualiteit. “Je bent zeker het vrouwtje zo te zien”. Robert zou het liefst de oude tang met de vaas chrysanten dood slaan, maar hij zegt,”wij doen daar niet aan mevrouw”. “Jammer, ik had wel eens willen weten hoe dat bij jullie zit, dat zou de verveling van dit klote tehuis veraangenamen”. Robert krijgt nu medelijden met de dame. Ze zit hier maar voor dat raam, vriendelijk zijn is niet haar ding, in tegenstelling tot de meeste oudjes, maar ze verdiend ook haar praatje, hoe vreemd haar interesse ook moge zijn. Robert neemt ongevraagd plaats op een stoel tegenover de dame. “Mijn vriend Carlo en ik vrijen met elkaar, en nemen elkaar zogezegd”. De dame kijkt Robert aan zonder iets te zeggen, maar in haar ogen is iets van interesse te ontwaren. Dan zegt ze,”is Carlo een neger”. Robert moet lachen om de vraag en wil zeggen dat Carlo een Arubaan is, maar geen neger, voor hij het kan zeggen, krijgt hij een trap tegen zijn scheenbeen. Hij grijpt kreunend van de pijn naar de pijnlijke plek. “Ik ben niet achterlijk, je moet een oud wijf hier niet gaan zitten uitlachen”. “Mijn excuses mevrouw, maar….”. “Ik val ook op kerels”, zegt de vrouw zijn excuses onderbrekend, alsof haar seksuele voorkeur afwijkt van het gemiddelde. Nu zwijgt Robert, en kijkt de dame wezenloos aan. “Daar kijk je van op hé Roberta”, zegt ze dan met een gemene grijns op haar verweerd gelaat. Robert dept met een zakdoek zijn wang, waar een traantje over heen liep, veroorzaakt door de pijn in zijn scheenbeen, hij weet nog steeds niet wat hij moet zeggen of antwoorden. “Ga eens staan Roberta”. Robert haat het als mensen hem Roberta noemen, eigenlijk is Carlo de enige die het wel eens tegen hem zegt, als hij iets te verwijfd doet. Robert gaat staan. Met een ongeduldig hand gebaar gebied de heks dat Robert zich om moet draaien. Hij draait zich om, zich zelf binnensmonds vervloekend dat hij dit doet. Dan knijpt de dame in zijn kont. Robert draait zich om, en zegt,”wat doet u nu”. De vrouw kijkt hem aan, met een grijns vol genoeg doening. “Ik kneep in je reet, en ben zeer te spreken over je billen”. Als Robert boos wil worden, ziet hij dat de grijns van de dame plaats maakt voor een droevige blik, en tranende ogen. Meteen smelt hij weer, en zegt dat ze hem best in zijn billen mag knijpen als ze die behoefte voelt opkomen. Onmiddellijk is de grijns weer terug, een beetje eng is het wel die blik van het oude mens. Nu grijpt ze in haar kruis en met haar tong maakt ze haar keurig rood gestifte lippen nat. Robert walgt ervan, maar weet niet te reageren. De bloemetjes jurk van de dame komt op de plek van haar kruis omhoog. Robert kijkt met open mond naar het tafereel. “ja knul, ik ben ook een kerel, dat had je niet door hé”, zegt ze schaterend van de lach. Robert wil weglopen, ver weg van deze walgelijke gebeurtenis, maar hij zakt vermoeid weer in de stoel tegenover de travestiet.
Hij moet bijkomen van de verbazing. Moeilijk buigt Meneer Krieltjes zich over de tafel, en pakt met een trillende hand een chrysant uit de bos bloemen op tafel, geeft een kusje op de kop van de chrysant en geeft die aan Robert. “Zo jongen voor jouw, blij dat ik voor mijn dood nog iemand heb kunnen laten weten hoe het werkelijk tussen mijn benen en in mijn hoofd zit”. Robert zegt geen dank je wel, hij is dood moe, hij kijkt naar de chrysant en denkt eigenlijk niks meer. “En nu wegwezen, ik heb mijn rust nodig, de groetje aan Carla”, zegt meneer Krieltjes dan venijnig. Verschrikt maakt Robert dat hij wegkomt.

Een week later overlijd meneer Krieltjes in zijn slaap. Robert is opgelucht, heeft in die week steeds een bezoek aan Meneer Krieltjes kunnen vermijden, al voelde hij wel de behoefte. Hij bezocht  de begrafenis van meneer Krieltjes met een grote bos chrysanten. Hij was de enige…

 February 9, 2013  Posted by at 19:57 Pieters Proza No Responses »
Feb 082013
 

 

Title: Te lui om voor de Duvel te dansen | Artist: Pieter Zandvliet | Category: Pieters Proza Als ik iets niet wil, dan zeg ik voor het gemak altijd dat ik het niet kan.
Mijn ouwe heer heb ik daar in mijn jeugd erg vaak pijn mee gedaan.
Hij probeerde me technische dingen te leren, zodat ik altijd mijn centjes kon verdienen met wat bij klussen.
Steeds maar weer trok hij mij mijn bed uit op naar een klus, als zijn zoon, zijn hulpje en bovenal zijn ongelofelijke ramp op benen.
Moest ik iets voor hem uit de auto halen of bij een winkel voor mannen met een houten meetlatje in hun werkbroek en soms een potloodje achter hun oor, dan bleef ik uren weg om vervolgens met het verkeerde terug te komen.
Hij zuchtte dan alleen en duwde mijn zogenaamd verbaasde lichaam opzij, om het vervolgens zelf maar te gaan halen.
Of als ik cement moest mengen met water, dan deed ik er altijd express teveel water bij, zodat het onbruikbaar was, en mijn vader er alleen maar meer werk door had.
Als ik heel sporadisch iets goed deed, zoals bijvoorbeeld de vloer prachtig aanvegen, dan was mijn arme vader al dol gelukkig.

Zo belande we meteen in mijn baantje als schoonmaker van de metro station Spijkenisse centrum.
Ik kreeg bevelen van een kerel met een hazenlip die niet te verstaan was, en zijn lip probeerde te bedekken met een snor.
Net als mijn vader had deze man veel geduld met mij.
Het was best relax hoor, ik werkte op eigen houtje, had mijn schoonmaakhokje, waar de schoonmaak spullen stonden en een grote schoonmaakwagen waar ik na een dag al oorlog mee had, het hele station lag onder het water en mensen gleden uit.
Ik had niks in de gaten en reed mijn rondjes alsof ik Henk Wijngaard in zijn zo ellendig bezongen truck was.
Tot er woedend metro personeel mee tegen hield en ik ruw uit de droom werd getrokken en toen pas zag dat het hele perron blank stond.
Ik was een jaar of zeventien, dus even oud als de lokale jeugd die daar op de bankjes rondhingen, ik schaamde me kapot als ik met een schrappertje kauwgom van de vloer zat te schrappen, ze lachte me natuurlijk vierkant uit, en spuwde meer kauwgom op de grond als ooit tevoren.
Mijn revanche kwam toen ik het station moest schoonmaken met een hogedrukspuit. Ik stond lekker te spuiten alsof ik de Twin towers stond te blussen, toen ik achter me op de bankjes hoorde vloeken dat ik niet zo moest spetteren, tering Turk, zo noemde ze mij, niet om dat ik doorging als lijkende op een Turk, maar omdat het een scheldwoord voor iedereen die schoonmaakte was.
Ik kreeg een waas voor mijn ogen, draaide mij om en spoot recht op de jonge rokertjes af, schooltassen vlogen de lucht in, en ze rende weg.
Ik was nu in de veronderstelling dat ik van mijn vijanden afwas, maar niks was minder waar ik werd ontslagen door mijn baas hazenlip, hij was woedend, waardoor hij nog minder goed te verstaan was, de arme man.
Jongeren hadden geklaagd over een wezenloze schoonmaker die ze aanviel met een hogedrukspuit.

Nu klopt de zin boven aan dit verhaal maar gedeeltelijk, mijn handen doen en deden toen al in de winter erg pijn door psoriasis in mijn botten, waardoor ik veel laat vallen, dus kan ik veel dingen ook echt niet, en heb ik een kromme ruggengraat die ooit aan mijn bekken vast is gezet waardoor ik niet kan tillen, dus veel kan ik ook niet.
En als ik dingen uit routine doe zoals bijvoorbeeld lopende band werk gaat dit net als in TV reclames ook altijd fout omdat ik mezelf weg fantaseer van de plaats waar ik dan noodgedwongen ben.
Dit deed ik ook toen ik een baantje via mijn vader kreeg in een postorder bedrijf.
Ik werd opgehaald in de rode Porsche door de dochter van de eigenaar van het postorder bedrijf.
Het was bekend dat ze lesbienne was, ik vond haar zo mooi, dat ik niet durfde te praten, zij lag een hand op mijn been terwijl ze mij vertelde over het familie bedrijf, hoogst waarschijnlijk vriendschappelijk, geruststellend bedoeld, maar mijn puber lichaam was van slag af.
In het bedrijf werkte allemaal lesbiennes, hele stoere.
Daar stond ik dan lulletje rozenwater, en het ging al meteen fout, aan de lopende band droomde ik weg, en voelde nog steeds de hand van de dochter van da baas op mijn bovenbeen.
Ik werd verstoord door een woeste stevige dame, die mij na drie keer weg vloekte, ik sloop weg en ging zonder mij af te melden naar huis.
Mijn pa boos natuurlijk, maar ik had geen zin hem te gaan vertellen wat er mis was gegaan.
Zijn conclusie die altijd hetzelfde was, was dat ik gewoon te lui was om voor de Duvel te dansen.
En waarschijnlijk was dat ook zo, want ik zag er het nut niet van in om voor de Duvel te gaan dansen, mijn vader wel blijkbaar.
Na deze en meerdere en soort gelijke werk ervaringen, viel ik in het cursus pakket, cursussen om te kijken welk werk geschikt voor mij was.
Nooit wat geworden gelukkig.
Nu schilder en teken ik mij het lep lazarus, maar zo lang je niet genoeg verkoopt om er van te leven, blijft men vragen of ik al een baan heb gevonden.
En echt hoor dan lach ik vriendelijk, en denk krijg maar fijn lekker, lekker fijn een griepje op zijn minst!

 February 8, 2013  Posted by at 23:34 Pieters Proza No Responses »